Het is februari, en voor mensen die hun leven op een enigszins georganiseerde wijze proberen te leiden wil dat zeggen dat dit de beste tijd is om na te denken over de zomervakantie.
Zelf ben ik niet erg georganiseerd, en ik geef niet zo veel om reizen, maar voor sommigen in mijn gezin ligt het anders. Dus ook ik denk na over mijn, of liever gezegd onze, zomervakantie. Wanneer? Waarheen? Hoe?
Op het gebied van het wanneer ben ik mak als een lammetje. Aan het wanneer zitten geen duurzame kanten.
De duurzame aspecten van het waarheen zijn vrij eenvoudig uit te vogelen. Een verplaatsing van een kilometer kost een bepaalde hoeveelheid brandstof en levert dientengevolge een bepaalde hoeveelheid vervuiling op. Elke kilometer die je verder van huis gaat, maakt je vakantie minder duurzaam.
Het allerbelangrijkst is natuurlijk het hoe. De keuze van je vervoermiddel, díe zet nog eens zoden aan de dijk!
Wie met de fiets op vakantie gaat kan zover weg rijden als hij maar wil zonder zich druk te maken over wat hij uitstoot aan CO2 en fijnstof.
Mijn goede vader fietste, toen hij de zestig al ruimschoots gepasseerd was, fluitend van Palermo naar Nijmegen. De meesten van ons, laten we heel eerlijk zijn, zouden dat ook kunnen. Alleen niet fluitend. En we zouden er, ongetraind als de meesten van ons nu eenmaal zijn, waarschijnlijk twee keer zo lang over doen als die eerbiedwaardige grijsaard. Maar het kán. De enige vervuiling die je veroorzaakt bestaat uit de deeltjes rubber die onderweg van je banden afslijten, en het extra voedsel dat je moet nuttigen om genoeg energie te krijgen. Dat laatste is, gezien de obesitas-epidemie, waarschijnlijk geen relevante overweging: voor de meeste mensen komt het er niet op aan extra voedsel te eten, het komt erop aan het teveel aan voedsel dat ze nu binnenkrijgen, daadwerkelijk te gebruiken. Dat is nog niet helemáál klimaatneutraal: het teveel aan voedsel wordt omgezet in warmte (zweten!) en bewegingsenergie (die grotendeels ook weer omgezet wordt in warmte), maar dat is waarschijnlijk te weinig om echt invloed te hebben op de klimaatverandering. Een veel groter effect is dat de lichaamsbeweging je gezond houdt, en dat je dus langer doorleeft. Leven, voor de hedendaagse mens, is vervuilen; voor het milieu is uw gezondheid een kleine ramp. Maar verdorie, je mag ook wel eens egoïstisch wezen.
Overigens, voor wie het zich afvroeg: mijn vader heeft niet zijn hele leven in Palermo gewoond. Hij is er met het vliegtuig heengegaan en toen teruggefietst.
Dat was dus niet zo'n duurzame vakantie. Dat vliegtuigen grote hoeveelheden CO2 uitstoten hoeft nu toch waarachtig niet meer vermeld te worden. Dat ze ook nog veel kwaad doen door het uitstoten van stikstofoxiden, die de vorming van ozon veroorzaken is ook wel bekend, maar er mag nog af en toe aan herinnerd worden (Huh? We hadden toch juist een gat in de ozonlaag? Dan is wat extra ozon toch een goede zaak? Nee. De ozonlaag met zijn roemruchte gat bevindt zich in de stratosfeer. Vliegtuigen vliegen lager dan dat, namelijk in de troposfeer, waar ozon werkt als broeikasgas.Locatie is alles; een stuk betonijzer in je balkon voorkomt instorting, een stuk betonijzer in je hoofd is domweg onplezierig.)
Onlangs stuitte ik op het volgende flauwekul-argument:
Dat vliegtuig vliegt toch wel, of je er nu in zit of niet, dus vliegen veroorzaakt geen gram extra CO2. Een reis met de auto wel. Dus je kunt met een gerust hart in het vliegtuig stappen.
Afgezien van het feit dat dit argument op een onwaarheid is gebaseerd - elke kilogram die een vliegtuig verplaatst kost extra energie, dus extra brandstof, dus je aanwezigheid levert wel degelijk extra CO2 op - en een stropop aanvalt - de keuze om niet te vliegen is in de eerste plaats een morele; je kiest ervoor om niet medeschuldig te zijn aan het opmaken van onze natuurlijke hulpbronnen en het veroorzaken van klimaatverandering. Je persoonlijke keuzes zullen binnen het gedrag van de mensheid als geheel nooit zoden aan de dijk zetten, maar als er ooit iemand (bijvoorbeeld je kind) aan je vraagt: waarom hebben jullie destijds de boel zo in het honderd laten lopen? Dan zul je toch in elk geval kunnen zeggen: Jullie? Hoezoe, jullie? En dat is ook wat waard - en de economsche realiteit negeert - minder vraag naar vliegtuigen resulteert in minder vliegtuigen - is het geen argument vóór vliegen. Het is een argument tégen de auto.
Over de auto volgende week meer.
Posts tonen met het label klimaatverandering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label klimaatverandering. Alle posts tonen
zondag 24 februari 2013
zondag 16 december 2012
Isolatie is energieverspilling
Energie besparen, en het is een beetje droevig dat hier soms nog op gewezen moet worden, kun je het beste doen door zo weinig mogelijk energie te verbruiken. Wie zijn huis isoleert, en vervolgens alle kamers dag en nacht tot 21 graden verwarmt, is niet erg zuinig bezig.
En daar komt nog bij dat, als je wilt isoleren, isolatiemateriaal moet worden geproduceerd, aangevoerd en geïnstalleerd. Kost allemaal energie. Bij ongewijzigd verbruik haal je die energie er snel genoeg weer uit, natuurlijk, maar het punt is nou juist dat je door je verbruikt te wijzigen een veel groter rendement kunt halen.
Een voorbeeld:
In mijn slaapkamer is het 's nachts koud. Dus ik heb het koud, zelfs onder drie dekens (nou ja, ik persoonlijk niet, want ik ben gezegend met een killer van een stofwisseling, maar anderen wel, waaronder iemand die gebruik maakt van dezelfde slaapkamer als ik. En reken maar dat het direct in mijn belang is dat die persoon het niet al te koud heeft 's nachts). Dat wil ik niet; ik wil het warm hebben. Dus de verwarming moet aan.
Ho, stop! Als ik de verwarming aandoe heeft mijn hele slaapkamer het warm, en dat was niet wat ik wilde.
Ik ben kleiner dan mijn slaapkamer (anders zou ik er niet inpassen), dus het is goedkoper om mij te verwarmen dan mijn slaapkamer.
Kortom: in mijn bed, dáár moet het warm zijn.
En aangezien mijn bed al geïsoleerd is, want dekens zijn niks anders dan isolatiemateriaal, is het heel efficiënt om mijn bed te verwarmen en mijn slaapkamer ongemoeid te laten. Zelfs en open raam bij lichte vorst heeft geen invloed op het verbruik van je elektrieke dekentje, want dat heeft geen thermostaat en levert een constante temperatuur af. En het verbruikt ongeveer 50 watt; ongeveer hetzelfde als de gloeilamp die je ouders voor je lieten branden op de gang, omdat het anders eng was.
Laten we zeggen dat je zes uur slaapt, dan verbruikt je dekentje pak 'm beet 0.3 KwH. Da's een stuk minder dan je verwarming verbruikt.
Maar het kan, natuurlijk, nog beter. Zoals zo vaak is ook hier de meest ouderwetse oplossing weer de duurzaamste: koop een kruik. Zet de fluitketel op en 0,2 KwH later heb je een liter warm water die, mits verpakt in kruik, garant staat voor een hele nacht warmte.
Nu is slapen met een kruik iets voor baby's. Het is ouderwets, armoedig en potsierlijk. MAAR. Leg op een koude winternacht een kruik in je bed, aan de kant waar je geliefde slaapt, en hij/zij zal je automatisch zien als de liefste, meest zorgzame persoon ter wereld.
De warmte die dat genereert, daar kan geen isolatie tegenop.
Maar de woonkamer dan? Die moet je wel isoleren, want in de woonkamer lig je niet onder een stapel dekens. Of wel?
Hou je vast. Nu gaan we hardcore.
Neem een slaapzak. Doe warm water in kruik. Doe kruik in slaapzak. Doe onderlijf ook in slaapzak. Lees boek. Dan hoef je alleen nog maar uit je slaapzak te komen om de verwarming uit te zetten, vanwege dat je het zo heet hebt.
Hoho, zegt u nu. Dát gaat mij een beetje te ver. Ik wil potverdrie wel rond kunnen lopen in mijn eigen woonkamer.
Welnu, lezer, ik ook. Daarom laat ik mijn huis ook isoleren, en stook ik af en toe de kachel flink op.
Maar naarmate de crisis verder voortschrijdt, zullen er meer en meer mensen komen bij wie gas en/of elektra worden afgesloten. U en mij gaat dat natuurlijk niet overkomen, lezer - ben je gek, dat overkomt alleen anderen. Maar mocht het ooit een van uw kennissen overkomen, dan weet u nu welke tip u hen kunt geven. Mochten uw kennissen zó krap komen te zitten, dat ze zelfs geen slaapzak meer kunnen betalen, dan mompelt u iets over een oud gordijn, een handjevol hooi, en de woorden 'zelfgemaakte voetenzak'. Een dikke trui doet dan de rest. Want een dikke trui is nog altijd de meest efficiënte isolatie.
En daar komt nog bij dat, als je wilt isoleren, isolatiemateriaal moet worden geproduceerd, aangevoerd en geïnstalleerd. Kost allemaal energie. Bij ongewijzigd verbruik haal je die energie er snel genoeg weer uit, natuurlijk, maar het punt is nou juist dat je door je verbruikt te wijzigen een veel groter rendement kunt halen.
Een voorbeeld:
In mijn slaapkamer is het 's nachts koud. Dus ik heb het koud, zelfs onder drie dekens (nou ja, ik persoonlijk niet, want ik ben gezegend met een killer van een stofwisseling, maar anderen wel, waaronder iemand die gebruik maakt van dezelfde slaapkamer als ik. En reken maar dat het direct in mijn belang is dat die persoon het niet al te koud heeft 's nachts). Dat wil ik niet; ik wil het warm hebben. Dus de verwarming moet aan.
Ho, stop! Als ik de verwarming aandoe heeft mijn hele slaapkamer het warm, en dat was niet wat ik wilde.
Ik ben kleiner dan mijn slaapkamer (anders zou ik er niet inpassen), dus het is goedkoper om mij te verwarmen dan mijn slaapkamer.
Kortom: in mijn bed, dáár moet het warm zijn.
En aangezien mijn bed al geïsoleerd is, want dekens zijn niks anders dan isolatiemateriaal, is het heel efficiënt om mijn bed te verwarmen en mijn slaapkamer ongemoeid te laten. Zelfs en open raam bij lichte vorst heeft geen invloed op het verbruik van je elektrieke dekentje, want dat heeft geen thermostaat en levert een constante temperatuur af. En het verbruikt ongeveer 50 watt; ongeveer hetzelfde als de gloeilamp die je ouders voor je lieten branden op de gang, omdat het anders eng was.
Laten we zeggen dat je zes uur slaapt, dan verbruikt je dekentje pak 'm beet 0.3 KwH. Da's een stuk minder dan je verwarming verbruikt.
Maar het kan, natuurlijk, nog beter. Zoals zo vaak is ook hier de meest ouderwetse oplossing weer de duurzaamste: koop een kruik. Zet de fluitketel op en 0,2 KwH later heb je een liter warm water die, mits verpakt in kruik, garant staat voor een hele nacht warmte.
Nu is slapen met een kruik iets voor baby's. Het is ouderwets, armoedig en potsierlijk. MAAR. Leg op een koude winternacht een kruik in je bed, aan de kant waar je geliefde slaapt, en hij/zij zal je automatisch zien als de liefste, meest zorgzame persoon ter wereld.
De warmte die dat genereert, daar kan geen isolatie tegenop.
Maar de woonkamer dan? Die moet je wel isoleren, want in de woonkamer lig je niet onder een stapel dekens. Of wel?
Hou je vast. Nu gaan we hardcore.
Neem een slaapzak. Doe warm water in kruik. Doe kruik in slaapzak. Doe onderlijf ook in slaapzak. Lees boek. Dan hoef je alleen nog maar uit je slaapzak te komen om de verwarming uit te zetten, vanwege dat je het zo heet hebt.
Hoho, zegt u nu. Dát gaat mij een beetje te ver. Ik wil potverdrie wel rond kunnen lopen in mijn eigen woonkamer.
Welnu, lezer, ik ook. Daarom laat ik mijn huis ook isoleren, en stook ik af en toe de kachel flink op.
Maar naarmate de crisis verder voortschrijdt, zullen er meer en meer mensen komen bij wie gas en/of elektra worden afgesloten. U en mij gaat dat natuurlijk niet overkomen, lezer - ben je gek, dat overkomt alleen anderen. Maar mocht het ooit een van uw kennissen overkomen, dan weet u nu welke tip u hen kunt geven. Mochten uw kennissen zó krap komen te zitten, dat ze zelfs geen slaapzak meer kunnen betalen, dan mompelt u iets over een oud gordijn, een handjevol hooi, en de woorden 'zelfgemaakte voetenzak'. Een dikke trui doet dan de rest. Want een dikke trui is nog altijd de meest efficiënte isolatie.
zondag 9 december 2012
De ijskoude feiten
Uitgerekend nu de winter hier serieus werk begint te leveren, komt de bodem van mijn houtvoorraad in zicht. Ik had 2,5 kuub bemachtigd; dat zou genoeg moeten zijn om de lente te halen, hoopte ik. Maar nee. Ik ben blij als ik nog een paar houtjes heb op 31 december, zodat ik er in elk geval in 2012 warmpjes bij zal hebben gezeten.
Op 1 januari ga ik niet plotseling dood van de kou, natuurlijk, want dan zet ik gewoon de verwarming aan. Dat doe ik nu ook al, op dagen dat mijn gezin wel thuis is, maar ik niet; ik ben de stoker bij ons thuis, en als ik de kachel niet aanmaak, dan komt er geen vuur in. Niet dat ik de enige ben die met zijn vingers aan de kachel mag zitten, maar, zoals eerder gezegd: hout stoken is een vaardigheid die je moet leren, en ik heb tot nu toe niet de tijd genomen die vaardigheid door te geven aan mijn gezin.
Fijn dus, dat er verwarming is. Als mijn hout op is, kan ik gewoon beginnen gas te verstoken.
Maar dat wil ik liever niet, want A) gas is een eindige, fossiele brandstof die je spaarzaam zou moeten gebruiken, en voor nuttiger dingen dan de mogelijkheid om in een T-shirt door je huis te dansen terwijl het buiten vriest. En B) het klimaat verandert al genoeg. Trouwens, C: gas kost geld. Ik heb e.e.a. niet precies uitgerekend, maar ik ga ervan uit dat Vimes' Boots Principle ook hier weer opgeld doet, en dat de goedkoopste optie die is, die alleen gebruikt kan worden door het welgesteldere deel van onze bevolking: het deel dat een huis heeft waarin men een houtkachel of open haard kan installeren. En een tuin om 5 kuub hout in op te slaan (dat kan natuurlijk ook in een kelderbox, maar dan moet je wel héél zeker weten dat je houtvoorraad geheel vrij is van boktorren en dergelijk ongedierte). Je kunt wel elke keer dat je wilt stoken een zakje haardhout halen bij de Gamma, maar dat hout is niet alleen schreeuwend duur, het is bovendien in een oven gedroogd, waarmee meteen een eind wordt gemaakt aan iedere mogelijke vorm van energie-efficiëntie.
Trouwens, als je zakjes hout van 10 kilo moet halen bij bouwmarkt of benzinepomp, dan fiets je je het leplazerus, want de hoeveelheden die je moet verstoken om één kamer te verwarmen, die zijn niet mals.
Dat is een groot voordeel van die open haard: dat je aan je spierballen voelt hoeveel energie je verbruikt. Je weet wel dat we teveel verstoken met z'n allen, en dat dat waarschijnlijk ook geldt voor jou persoonlijk, maar pas als je zelf iedere kilojoule hebt versjouwd word je echt met je neus op de ijskoude feiten gedrukt.
Draai ik er in een seizoen zóveel geboomte doorheen? En als ik alles op gas zou stoken, zou ik dan niet een vergelijkbare hoeveelheid prehistorische groeisels verbruiken?
Daar word je wel even stil van.
En die stilte kan ik mooi gebruiken om een bekentenis te doen: Mijn muren zijn niet geïsoleerd. Mijn ramen wel, en mijn vloer, en mijn dak, maar toen het erop aankwam de muren te doen, keek in nog eens in mijn portemonnee en ik dacht: mwoah, nu maar even niet, dat gaat me minstens 2000 euro kosten, ik doe dat volgend jaar wel, of het jaar daarna, als ik het geld heb.
Maar als je voor de zevende keer op één zondag een emmer hout uit de opslag aan het halen bent, dan drijven je gedachten onwillekeurig in de richting: ach, tweeduizend euro, hoeveel is dat nou? Afgezet tegen, bijvoorbeeld, drie keer minder (per dag) de vrieskou in lopen om hout te halen?
Gelooft u mij: de investering lijkt opeens een stuk minder onoverkomelijk.
Om nog maar te zwijgen van enkele andere simpele trucs om warm te blijven zonder te stoken, waarover ik volgende week te spreken zal komen.
Op 1 januari ga ik niet plotseling dood van de kou, natuurlijk, want dan zet ik gewoon de verwarming aan. Dat doe ik nu ook al, op dagen dat mijn gezin wel thuis is, maar ik niet; ik ben de stoker bij ons thuis, en als ik de kachel niet aanmaak, dan komt er geen vuur in. Niet dat ik de enige ben die met zijn vingers aan de kachel mag zitten, maar, zoals eerder gezegd: hout stoken is een vaardigheid die je moet leren, en ik heb tot nu toe niet de tijd genomen die vaardigheid door te geven aan mijn gezin.
Fijn dus, dat er verwarming is. Als mijn hout op is, kan ik gewoon beginnen gas te verstoken.
Maar dat wil ik liever niet, want A) gas is een eindige, fossiele brandstof die je spaarzaam zou moeten gebruiken, en voor nuttiger dingen dan de mogelijkheid om in een T-shirt door je huis te dansen terwijl het buiten vriest. En B) het klimaat verandert al genoeg. Trouwens, C: gas kost geld. Ik heb e.e.a. niet precies uitgerekend, maar ik ga ervan uit dat Vimes' Boots Principle ook hier weer opgeld doet, en dat de goedkoopste optie die is, die alleen gebruikt kan worden door het welgesteldere deel van onze bevolking: het deel dat een huis heeft waarin men een houtkachel of open haard kan installeren. En een tuin om 5 kuub hout in op te slaan (dat kan natuurlijk ook in een kelderbox, maar dan moet je wel héél zeker weten dat je houtvoorraad geheel vrij is van boktorren en dergelijk ongedierte). Je kunt wel elke keer dat je wilt stoken een zakje haardhout halen bij de Gamma, maar dat hout is niet alleen schreeuwend duur, het is bovendien in een oven gedroogd, waarmee meteen een eind wordt gemaakt aan iedere mogelijke vorm van energie-efficiëntie.
Trouwens, als je zakjes hout van 10 kilo moet halen bij bouwmarkt of benzinepomp, dan fiets je je het leplazerus, want de hoeveelheden die je moet verstoken om één kamer te verwarmen, die zijn niet mals.
Dat is een groot voordeel van die open haard: dat je aan je spierballen voelt hoeveel energie je verbruikt. Je weet wel dat we teveel verstoken met z'n allen, en dat dat waarschijnlijk ook geldt voor jou persoonlijk, maar pas als je zelf iedere kilojoule hebt versjouwd word je echt met je neus op de ijskoude feiten gedrukt.
Draai ik er in een seizoen zóveel geboomte doorheen? En als ik alles op gas zou stoken, zou ik dan niet een vergelijkbare hoeveelheid prehistorische groeisels verbruiken?
Daar word je wel even stil van.
En die stilte kan ik mooi gebruiken om een bekentenis te doen: Mijn muren zijn niet geïsoleerd. Mijn ramen wel, en mijn vloer, en mijn dak, maar toen het erop aankwam de muren te doen, keek in nog eens in mijn portemonnee en ik dacht: mwoah, nu maar even niet, dat gaat me minstens 2000 euro kosten, ik doe dat volgend jaar wel, of het jaar daarna, als ik het geld heb.
Maar als je voor de zevende keer op één zondag een emmer hout uit de opslag aan het halen bent, dan drijven je gedachten onwillekeurig in de richting: ach, tweeduizend euro, hoeveel is dat nou? Afgezet tegen, bijvoorbeeld, drie keer minder (per dag) de vrieskou in lopen om hout te halen?
Gelooft u mij: de investering lijkt opeens een stuk minder onoverkomelijk.
Om nog maar te zwijgen van enkele andere simpele trucs om warm te blijven zonder te stoken, waarover ik volgende week te spreken zal komen.
dinsdag 6 november 2012
Verhalen van de Val
Eigenlijk was het mijn bedoeling verder te gaan met mijn verhalen over gezellige duurzaamheid, maar mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar (13 kilo, aan één plant, en er zat niet één rijpe tussen...) zal tot een volgende keer moeten wachten. Zeer passend, want de strijd is nog niet gestreden, maar dat is niet de reden voor dit uitstel.
Ik wil deze week iets vertellen over de moeilijkheden die je ondervindt als je wilt spreken over de gevolgen wan de vele crises waar we ons in bevinden.
Daar kun je vele, vele pagina's mee vullen maar dat ga ik vandaag niet doen want, ik zal het maar meteen eerlijk zeggen, ik heb een boek te pluggen. En de perikelen rond de publicatie van dat boek zijn zowel komisch als leerzaam.
Het gaat om After Oil, een collectie toekomstverhalen over de wereld na Peak Oil. De samensteller, John Michael Greer, schrijft een veelgelezen blog over Peak Oil en realiseerde zich: ik kan wel bezig blijven de feiten te vermelden, maar dat is niet voldoende. De mens heeft, om zich een beeld van de wereld te vormen, naast feiten ook verhalen nodig.
Nu zijn er verschillende verhalen gangbaar over de toekomst. De verhalen die in onze samenleving (nog) dominant zijn gaan doorgaans uit van een voortdurende vooruitgang. Of het nu over technologie, economie of moraal gaat, in de meeste verhalen speelt de gedachte dat we nu verder zijn dan we vroeger waren, en dat we in de toekomst nog verder zullen komen, een rol op de achtergrond. Of, als het verhalen over de toekomst zijn, op de voorgrond.
Een andere sterke grondslag is die van de apocalyps, de ineenstorting. Een gedacht die zijn populariteit voor een groot deel aan het christendom te danken heeft, maar die ook omarmd wordt door veel mensen die zich bezig houden met klimaatverandering, Peak Oil etc.
Deze beide ideeën kunnen ons niet behulpzaam zijn bij de uitdagingen waar we ons voor gesteld zien. Het eerste soort verhalen wekt de gedachte: vooruitgang is onvermijdelijk en 'ze' zullen wel een oplossing vinden voor dat klimaat-en-olie dingetje. Het eerste probleem is dat er, bij navraag, niemand lid lijkt te zijn van de club die bekend staat als 'ze'. Het tweede probleem is dat er geen oplossing is voor het klimaat-en-olie dingetje, althans geen oplossing die je kunt aanduiden met het woord 'vooruitgang'.
Het tweede soort verhalen werkt verlammend: er is geen oplossing, er staan ons verschrikkelijke rampen te wachten; vandaag of morgen kan het opeens allemaal over zijn en er is niets wat we daartegen kunnen doen.
Van dergelijke gedachten krijg je niet echt zin de handen uit de mouwen te steken. Bovendien is het onzin. Apocalypsen komen in de geschiedenis niet voor. Van de val van het Romeinse rijk (Historici zijn het er niet over eens wanneer die plaats vond: tussen de tweede en de vijfde eeuw? Van 234 tot 1452? Het enige wat ze allemaal zullen beamen is: het was bepaald niet in één klap voorbij) tot het uitsterven van de dinosauriërs (die helemaal niet uitgestorven zijn, maar in mijn achtertuin wonen onder schuilnamen als 'koolmees' en 'Vlaamse Gaai'): al die ineenstortingen hebben gemeen dat ze vele generaties duurden. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat ook onze samenleving gestaag achteruit zal gaan - eeuwenlang.
En daar hebben we bijna geen verhalen over. Wat jammer is, want de verhalen die ons aanspreken geven ons een idee over de wereld waarin we willen leven, of een manier waarop we ons leven willen vormgeven.
Daarom leek het meneer Greer verstandig om een verhalenbundel samen te stellen met verhalen uit een toekomst waarin alles gestaag achteruit gaat. Dat werd de bundel After Oil, waarin overigens mijn eerste Engelstalige verhaal is opgenomen (u dacht toch niet dat ik zoveel woorden zou wijden aan een boek waar ik niet in sta, of wel?).
Het was mijn bedoeling omstandig uit de doeken te doen wat de problemen waren bij het publiceren van dat boek, en waarom het uiteindelijk bij een minuscuul en zeer obscuur uitgeverijtje terecht is gekomen, en bij wijze van contrast nog even te wijzen op een ander, verwant boek dat geen perikelen ondervond maar, onder andere dankzij de geweldigheid van mijn Nederlandse uitgever, moeiteloos gepubliceerd werd, maar dit alles moet wachten tot volgende week.
En daarna, dat beloof ik, volgt het epos van mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar.
Ik wil deze week iets vertellen over de moeilijkheden die je ondervindt als je wilt spreken over de gevolgen wan de vele crises waar we ons in bevinden.
Daar kun je vele, vele pagina's mee vullen maar dat ga ik vandaag niet doen want, ik zal het maar meteen eerlijk zeggen, ik heb een boek te pluggen. En de perikelen rond de publicatie van dat boek zijn zowel komisch als leerzaam.
Het gaat om After Oil, een collectie toekomstverhalen over de wereld na Peak Oil. De samensteller, John Michael Greer, schrijft een veelgelezen blog over Peak Oil en realiseerde zich: ik kan wel bezig blijven de feiten te vermelden, maar dat is niet voldoende. De mens heeft, om zich een beeld van de wereld te vormen, naast feiten ook verhalen nodig.
Nu zijn er verschillende verhalen gangbaar over de toekomst. De verhalen die in onze samenleving (nog) dominant zijn gaan doorgaans uit van een voortdurende vooruitgang. Of het nu over technologie, economie of moraal gaat, in de meeste verhalen speelt de gedachte dat we nu verder zijn dan we vroeger waren, en dat we in de toekomst nog verder zullen komen, een rol op de achtergrond. Of, als het verhalen over de toekomst zijn, op de voorgrond.
Een andere sterke grondslag is die van de apocalyps, de ineenstorting. Een gedacht die zijn populariteit voor een groot deel aan het christendom te danken heeft, maar die ook omarmd wordt door veel mensen die zich bezig houden met klimaatverandering, Peak Oil etc.
Deze beide ideeën kunnen ons niet behulpzaam zijn bij de uitdagingen waar we ons voor gesteld zien. Het eerste soort verhalen wekt de gedachte: vooruitgang is onvermijdelijk en 'ze' zullen wel een oplossing vinden voor dat klimaat-en-olie dingetje. Het eerste probleem is dat er, bij navraag, niemand lid lijkt te zijn van de club die bekend staat als 'ze'. Het tweede probleem is dat er geen oplossing is voor het klimaat-en-olie dingetje, althans geen oplossing die je kunt aanduiden met het woord 'vooruitgang'.
Het tweede soort verhalen werkt verlammend: er is geen oplossing, er staan ons verschrikkelijke rampen te wachten; vandaag of morgen kan het opeens allemaal over zijn en er is niets wat we daartegen kunnen doen.
Van dergelijke gedachten krijg je niet echt zin de handen uit de mouwen te steken. Bovendien is het onzin. Apocalypsen komen in de geschiedenis niet voor. Van de val van het Romeinse rijk (Historici zijn het er niet over eens wanneer die plaats vond: tussen de tweede en de vijfde eeuw? Van 234 tot 1452? Het enige wat ze allemaal zullen beamen is: het was bepaald niet in één klap voorbij) tot het uitsterven van de dinosauriërs (die helemaal niet uitgestorven zijn, maar in mijn achtertuin wonen onder schuilnamen als 'koolmees' en 'Vlaamse Gaai'): al die ineenstortingen hebben gemeen dat ze vele generaties duurden. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat ook onze samenleving gestaag achteruit zal gaan - eeuwenlang.
En daar hebben we bijna geen verhalen over. Wat jammer is, want de verhalen die ons aanspreken geven ons een idee over de wereld waarin we willen leven, of een manier waarop we ons leven willen vormgeven.
Daarom leek het meneer Greer verstandig om een verhalenbundel samen te stellen met verhalen uit een toekomst waarin alles gestaag achteruit gaat. Dat werd de bundel After Oil, waarin overigens mijn eerste Engelstalige verhaal is opgenomen (u dacht toch niet dat ik zoveel woorden zou wijden aan een boek waar ik niet in sta, of wel?).
Het was mijn bedoeling omstandig uit de doeken te doen wat de problemen waren bij het publiceren van dat boek, en waarom het uiteindelijk bij een minuscuul en zeer obscuur uitgeverijtje terecht is gekomen, en bij wijze van contrast nog even te wijzen op een ander, verwant boek dat geen perikelen ondervond maar, onder andere dankzij de geweldigheid van mijn Nederlandse uitgever, moeiteloos gepubliceerd werd, maar dit alles moet wachten tot volgende week.
En daarna, dat beloof ik, volgt het epos van mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar.
zaterdag 13 oktober 2012
Gezellig duurzaam, deel 2: Hoera voor CO2!
Nu de ochtenden weer wat frisser worden begin ik langzaam mijn kachel onder de knie te krijgen. Hij is destijds aangeschaft om twee redenen: ten eerste omdat hij buitengewoon efficiënt is in het verbranden van hout en ten tweede omdat hij er mooi uitziet. Voor sommige waarden van mooi, natuurlijk. Als je houdt van veel versieringen en krullerige lijnen, dan is-ie foeilelijk. Houd je echter meer van rechte, strakke lijnen dan is-ie prachtig. (Voor wie nieuwsgierig is naar de esthetiek van mijn huiskamer, het is een Stuv 16 cube)
Het voordeel van die efficiënte verbranding is dat je minder houdt nodig hebt om je kamer warm te stoken. Een ander voordeel is dat het houdt bijna volledig verbrandt, wat wil zeggen dat het hout grotendeels wordt omgezet in waterdamp en CO2. En CO2 is, in dit verband, goed. De boodschap dat CO2 slecht is is er zo ingehamerd (en terecht) dat je bijna gaat vergeten dat zijn kleine broertje koolmonoxide ook geen lieverdje is.
Adem teveel koolmonoxide in en de sterft.
Je moet er vrij veel van binnenkrijgen, dat is waar, maar in de dagen dat Nederland zich warmde aan gaskachels kwam het regelmatig voor dat mensen, die indommelden bij een gaskachel waar een kleinigheidje mee mis was, nooit meer uitdommelden.
Hoera voor CO2, dus.
Ook al omdat er bij volledige verbranding maar weinig roet vrijkomt. En roet is niet goed. Ik woon in een buurt waar vrij veel mensen een open haard hebben. Op de mooie, heldere, vrieskoude nachten hangt er in mijn straat soms een dichte mist, die geen mist is - zelfs geen smog - maar pure rook. Op de traditioneel gezellige winteravonden - kerst, Sinterklaas, oudjaar - kan een asthma-lijder zich beter niet buiten wagen in onze buurt.
Roet is een moordenaar.
Het is de oorzaak van schoorsteenbranden, maar dat is klein bier. Het spul is kankerverwekkend en er zijn verbanden gevonden met hart- en vaatziekten. Wie hout wil stoken (en heel veel mensen willen dat; hun aantal zal over een jaar of tien explosief toenemen, want dan is de gasbel in Slochteren leeg en dan moet Nederland aardgas importeren, met alle gevolgen vandien voor de prijs) kan maar beter zorgen dat hij een zo volledig mogelijke verbranding weet te realiseren. Of leren leven met de gedachte dat je een moordenaar bent, natuurlijk. Een moordenaar van je eigen familie en buren, welteverstaan, want de meeste roet die je uitstoot komt bij jou in de buurt weer naar beneden.
Een kleiner deel verdwijnt de atmosfeer in, wara het dingen doet met ons klimaat.
Helaas is nog niet duidelijk wélke dingen.
Roet kan fungeren als condensatiekern en speelt dus een rol bij de vorming van wolken en regen. Regen is goed, natuurlijk, want waterdamp is een broeikasgas en alle waterdamp die als regen neerslaat is niet langer bezig met het opwarmen van de aarde.
Een deel van de waterdamp slaat echter neer als sneeuw, en sneeuw met roetdeeltjes erin is niet volmaakt wit. En absorbeert meer zonnewarmte. En smelt sneller. En dat is allebei jammer, want het weerkaatsend vermogen van sneeuw (de albedo) sp[eelt een belangrijke rol in het klimaatsysteem van de aarde.
Ook wolken spelen een belangrijke rol: ze kunnen het aardoppervlak warm houden ('s nachts) of juist koel (overdags).
Kortom: roet en klimaat, daar is het laatste woord nog lang niet over gezegd.
En dat hoeft ook niet. Wie maakt zich druk om het klimaat, terwijl hij bezig is zijn eigen familie om zeep te helpen?
Roet is niet goed. Volledige verbranding wel. Hoera voor CO2!
Mijn kachel is niet alleen, efficiënt, maar ook mooi. Het design van de kachel heeft jammer genoeg ook nadelen: als het hout erin niet goed brandt, is dat makkelijk aan te passen door er wat hout bij te gooien of even in de boel te poken.
En dat is niet aan te raden, bij de Stuv, want zodra je het raampje opendoet wolkt er dikke, vieze rook de kamer binnen.
Als de kachel schoon brandt heb je dat probleem niet, maar ja, dan hoeft het deurtje niet zo vaak open.
Inmiddels, nu ik 'm bijna een jaar heb, kan ik mijn kachel zó stoken dat ik niet meer hoef te rommelen en poken.
Tien maanden, minus vijf maanden zomer en lente, is vijf maanden. Dat is de tijd die ik nodig heb gehad om mijn kachel onder de knie te krijgen. Ik was geen onervaren stoker - jarenlang wist ik in een handomdraai een mooie fik te krijgen in onze open haard - maar elke kachel is anders en geen twee schoorstenen trekken hetzelfde. Ook voor zoiets simpels als het aansteken van een houtvuurtje geldt weer: You haven't learnt it if you haven't actually done it. En ik kan daaraan toevoegen: je hebt het pas goed geleerd, als je het heel vaak hebt gedaan.
Toen ik me vanmorgen neerzette bij de kachel, met mijn laptop en een kopje thee, had ik eigenlijk willen schrijven over de duurzame kanten van een kopje thee. Een inleidende opmerking over mijn houtkachel liep echter zodanig uit de hand, dat u de kop thee van mij tegoed moet houden. Volgende week dus nog meer gezelligheid!
Het voordeel van die efficiënte verbranding is dat je minder houdt nodig hebt om je kamer warm te stoken. Een ander voordeel is dat het houdt bijna volledig verbrandt, wat wil zeggen dat het hout grotendeels wordt omgezet in waterdamp en CO2. En CO2 is, in dit verband, goed. De boodschap dat CO2 slecht is is er zo ingehamerd (en terecht) dat je bijna gaat vergeten dat zijn kleine broertje koolmonoxide ook geen lieverdje is.
Adem teveel koolmonoxide in en de sterft.
Je moet er vrij veel van binnenkrijgen, dat is waar, maar in de dagen dat Nederland zich warmde aan gaskachels kwam het regelmatig voor dat mensen, die indommelden bij een gaskachel waar een kleinigheidje mee mis was, nooit meer uitdommelden.
Hoera voor CO2, dus.
Ook al omdat er bij volledige verbranding maar weinig roet vrijkomt. En roet is niet goed. Ik woon in een buurt waar vrij veel mensen een open haard hebben. Op de mooie, heldere, vrieskoude nachten hangt er in mijn straat soms een dichte mist, die geen mist is - zelfs geen smog - maar pure rook. Op de traditioneel gezellige winteravonden - kerst, Sinterklaas, oudjaar - kan een asthma-lijder zich beter niet buiten wagen in onze buurt.
Roet is een moordenaar.
Het is de oorzaak van schoorsteenbranden, maar dat is klein bier. Het spul is kankerverwekkend en er zijn verbanden gevonden met hart- en vaatziekten. Wie hout wil stoken (en heel veel mensen willen dat; hun aantal zal over een jaar of tien explosief toenemen, want dan is de gasbel in Slochteren leeg en dan moet Nederland aardgas importeren, met alle gevolgen vandien voor de prijs) kan maar beter zorgen dat hij een zo volledig mogelijke verbranding weet te realiseren. Of leren leven met de gedachte dat je een moordenaar bent, natuurlijk. Een moordenaar van je eigen familie en buren, welteverstaan, want de meeste roet die je uitstoot komt bij jou in de buurt weer naar beneden.
Een kleiner deel verdwijnt de atmosfeer in, wara het dingen doet met ons klimaat.
Helaas is nog niet duidelijk wélke dingen.
Roet kan fungeren als condensatiekern en speelt dus een rol bij de vorming van wolken en regen. Regen is goed, natuurlijk, want waterdamp is een broeikasgas en alle waterdamp die als regen neerslaat is niet langer bezig met het opwarmen van de aarde.
Een deel van de waterdamp slaat echter neer als sneeuw, en sneeuw met roetdeeltjes erin is niet volmaakt wit. En absorbeert meer zonnewarmte. En smelt sneller. En dat is allebei jammer, want het weerkaatsend vermogen van sneeuw (de albedo) sp[eelt een belangrijke rol in het klimaatsysteem van de aarde.
Ook wolken spelen een belangrijke rol: ze kunnen het aardoppervlak warm houden ('s nachts) of juist koel (overdags).
Kortom: roet en klimaat, daar is het laatste woord nog lang niet over gezegd.
En dat hoeft ook niet. Wie maakt zich druk om het klimaat, terwijl hij bezig is zijn eigen familie om zeep te helpen?
Roet is niet goed. Volledige verbranding wel. Hoera voor CO2!
Mijn kachel is niet alleen, efficiënt, maar ook mooi. Het design van de kachel heeft jammer genoeg ook nadelen: als het hout erin niet goed brandt, is dat makkelijk aan te passen door er wat hout bij te gooien of even in de boel te poken.
En dat is niet aan te raden, bij de Stuv, want zodra je het raampje opendoet wolkt er dikke, vieze rook de kamer binnen.
Als de kachel schoon brandt heb je dat probleem niet, maar ja, dan hoeft het deurtje niet zo vaak open.
Inmiddels, nu ik 'm bijna een jaar heb, kan ik mijn kachel zó stoken dat ik niet meer hoef te rommelen en poken.
Tien maanden, minus vijf maanden zomer en lente, is vijf maanden. Dat is de tijd die ik nodig heb gehad om mijn kachel onder de knie te krijgen. Ik was geen onervaren stoker - jarenlang wist ik in een handomdraai een mooie fik te krijgen in onze open haard - maar elke kachel is anders en geen twee schoorstenen trekken hetzelfde. Ook voor zoiets simpels als het aansteken van een houtvuurtje geldt weer: You haven't learnt it if you haven't actually done it. En ik kan daaraan toevoegen: je hebt het pas goed geleerd, als je het heel vaak hebt gedaan.
Toen ik me vanmorgen neerzette bij de kachel, met mijn laptop en een kopje thee, had ik eigenlijk willen schrijven over de duurzame kanten van een kopje thee. Een inleidende opmerking over mijn houtkachel liep echter zodanig uit de hand, dat u de kop thee van mij tegoed moet houden. Volgende week dus nog meer gezelligheid!
zaterdag 29 september 2012
Waarom ademt een boom water?
Naar aanleiding van de post van vorige week vroeg een lezer hoe dat nou zat: bomen die water uitademen? Bomen hebben toch juist, net als alle planten, water nodig? waarom al die moeite doen met wortelstelsels en zo, om vervolgens de boel gewoon weer uit te ademen?
Dat is een goede vraag, en ik heb het antwoord dus hier gaan we. Het wordt een beetje wetenschappelijk, maar van een beetje wetenschap is nog nooit iemand doodgegaan.
Eh... van een beetje lezen over wetenschap is nog nooit iemand doodgegaan. Voor talloze wetenschappers (Marie Curie voorop) en proefkonijnen (zowel mensen als andere dieren) is deelname aan de wetenschap niet zonder consequenties gebleven. Maar u lezer, bent veilig in mijn handen, dat beloof ik.
Een boom haalt, met zijn wortels, water uit de grond. Dat gebeurt via een proces genaamd osmose. Osmose kun je makkelijk waarnemen: houd maar eens de punt van een papieren zakdoek in een beker met water. Het water 'kruipt omhoog'. De reden daarvoor is dat water streeft naar een gelijkmatige concentratie; door de hele vloeistof moeten evenveel zouten, suikers, eiwitten enzovoort zijn opgelost. De reden dáár weer voor is een vrij ingewikkeld verhaal uit de thermodynamica, dat ik hier niet ga uitleggen omdat ik het zelf ook niet helemaal snap.
In een plantaardige cel zijn zouten, zuren enzovoort opgelost, en de celwand laat die niet naar buiten. Maar hij laat wél water binnen. Omdat water streeft naar een gelijkmatige concentratie moet het de cel binnenstromen. In theorie totdat de concentratie suikers en zouten binnen de cel even laag is als die erbuiten, maar in de praktijk tot de cel vol is.
Lage planten kunnen door osmose al hun bladeren van water voorzien.
En die bladeren hebben dat water inderdaad nodig: met de waterstof-atomen uit het water, en de koolstof-atomen uit de plant, en met zonlicht als energiebron, maakt de plant koolwaterstoffen zoals suikers en eiwitten. En dat zijn weer de 'bouwstenen' voor de hele plant.
De osmotische kracht van de wortels is niet sterk genoeg om het water tot helemaal bovenin een boomkruin te tillen. Daarvoor moet een sapstroom op gang komen en dat gebeurt via verdamping.
In bladeren zitten cellen die een zeer hoge concentratie zouten etc. in zich dragen. Die trekken, via osmose, water aan. Dat kunnen ze alleen doen als de concentratie hoog blijft. En de concentratie blijft hoog, omdat het invallende zonlicht niet alleen wordt gebruikt om water en CO2 om te zetten in suikers, maar ook om vloeibaar water om te zetten in gas. Verdamping dus. De waterdamp ontsnapt via de huidmondjes die ook de zuurstof naar buiten laten, de concentratie in de mesofylcellen wordt weer fijn hoog en er wordt weer water aangetrokken van beneden. En niet alleen water: de sapstroom is vooral nodig om andere stoffen, zoals mineralen, op de plaats van bestemming te krijgen.
En daarom ademen bomen water.
Niet alleen bomen trouwens: de meeste planten verdampen 98% van al het water dat ze in hun leven opnemen! Een tomatenplant, bijvoorbeeld, verliest op deze manier ongeveer 115 liter water gedurende zijn hele groeiseizoen. Een 16 meter hoge boom kan per uur 220 liter water verliezen.
De consequenties hiervan zijn groot en complex. Neem, bijvoorbeeld, het regenwoud van de Amazone. Dat produceert niet alleen een groot deel van de zuurstof die wij allemaal zo gaarne inademen, het produceert ook waterdamp. Waterdamp die als regen neerdaalt, grotendeels in diezelfde Amazone. Er zijn daar plaatsen die op die manier 88% procent van hun water 'recyclen', maar veel van deze bomen verrichten hun taak, heel sympathiek, ten bate van anderen. Het westelijke Amazonegebied krijgt al zijn water van het regenwoud in het oostelijk Amazonegebied.
Dus wat zou er gebeuren als je, bijvoorbeeld, het oostelijke regenwoud zou omhakken? Oeps!
Er komt ergens een omslagpunt, waarschijnlijk: het punt waarop de oostelijke regenwouden de westelijke niet meer van water kunnen voorzien, en het hele ecosysteem als een kaartenhuis in elkaar dondert.
En wie moet er dan al onze CO2 opvangen?
Aan de andere kant: CO2 is niet het enige boeikasgas.
Waterdamp is er ook een.
Waarmee we kunnen zien hoe buitengewoon complex het hele systeem is.
Als je over zo'n ingewikkeld kronkelend pad wandelt - zou je dan niet een beetje op je passen moeten letten?
Dat is een goede vraag, en ik heb het antwoord dus hier gaan we. Het wordt een beetje wetenschappelijk, maar van een beetje wetenschap is nog nooit iemand doodgegaan.
Eh... van een beetje lezen over wetenschap is nog nooit iemand doodgegaan. Voor talloze wetenschappers (Marie Curie voorop) en proefkonijnen (zowel mensen als andere dieren) is deelname aan de wetenschap niet zonder consequenties gebleven. Maar u lezer, bent veilig in mijn handen, dat beloof ik.
Een boom haalt, met zijn wortels, water uit de grond. Dat gebeurt via een proces genaamd osmose. Osmose kun je makkelijk waarnemen: houd maar eens de punt van een papieren zakdoek in een beker met water. Het water 'kruipt omhoog'. De reden daarvoor is dat water streeft naar een gelijkmatige concentratie; door de hele vloeistof moeten evenveel zouten, suikers, eiwitten enzovoort zijn opgelost. De reden dáár weer voor is een vrij ingewikkeld verhaal uit de thermodynamica, dat ik hier niet ga uitleggen omdat ik het zelf ook niet helemaal snap.
In een plantaardige cel zijn zouten, zuren enzovoort opgelost, en de celwand laat die niet naar buiten. Maar hij laat wél water binnen. Omdat water streeft naar een gelijkmatige concentratie moet het de cel binnenstromen. In theorie totdat de concentratie suikers en zouten binnen de cel even laag is als die erbuiten, maar in de praktijk tot de cel vol is.
Lage planten kunnen door osmose al hun bladeren van water voorzien.
En die bladeren hebben dat water inderdaad nodig: met de waterstof-atomen uit het water, en de koolstof-atomen uit de plant, en met zonlicht als energiebron, maakt de plant koolwaterstoffen zoals suikers en eiwitten. En dat zijn weer de 'bouwstenen' voor de hele plant.
De osmotische kracht van de wortels is niet sterk genoeg om het water tot helemaal bovenin een boomkruin te tillen. Daarvoor moet een sapstroom op gang komen en dat gebeurt via verdamping.
In bladeren zitten cellen die een zeer hoge concentratie zouten etc. in zich dragen. Die trekken, via osmose, water aan. Dat kunnen ze alleen doen als de concentratie hoog blijft. En de concentratie blijft hoog, omdat het invallende zonlicht niet alleen wordt gebruikt om water en CO2 om te zetten in suikers, maar ook om vloeibaar water om te zetten in gas. Verdamping dus. De waterdamp ontsnapt via de huidmondjes die ook de zuurstof naar buiten laten, de concentratie in de mesofylcellen wordt weer fijn hoog en er wordt weer water aangetrokken van beneden. En niet alleen water: de sapstroom is vooral nodig om andere stoffen, zoals mineralen, op de plaats van bestemming te krijgen.
En daarom ademen bomen water.
Niet alleen bomen trouwens: de meeste planten verdampen 98% van al het water dat ze in hun leven opnemen! Een tomatenplant, bijvoorbeeld, verliest op deze manier ongeveer 115 liter water gedurende zijn hele groeiseizoen. Een 16 meter hoge boom kan per uur 220 liter water verliezen.
De consequenties hiervan zijn groot en complex. Neem, bijvoorbeeld, het regenwoud van de Amazone. Dat produceert niet alleen een groot deel van de zuurstof die wij allemaal zo gaarne inademen, het produceert ook waterdamp. Waterdamp die als regen neerdaalt, grotendeels in diezelfde Amazone. Er zijn daar plaatsen die op die manier 88% procent van hun water 'recyclen', maar veel van deze bomen verrichten hun taak, heel sympathiek, ten bate van anderen. Het westelijke Amazonegebied krijgt al zijn water van het regenwoud in het oostelijk Amazonegebied.
Dus wat zou er gebeuren als je, bijvoorbeeld, het oostelijke regenwoud zou omhakken? Oeps!
Er komt ergens een omslagpunt, waarschijnlijk: het punt waarop de oostelijke regenwouden de westelijke niet meer van water kunnen voorzien, en het hele ecosysteem als een kaartenhuis in elkaar dondert.
En wie moet er dan al onze CO2 opvangen?
Aan de andere kant: CO2 is niet het enige boeikasgas.
Waterdamp is er ook een.
Waarmee we kunnen zien hoe buitengewoon complex het hele systeem is.
Als je over zo'n ingewikkeld kronkelend pad wandelt - zou je dan niet een beetje op je passen moeten letten?
zaterdag 16 juni 2012
De oogst van deze, uh... lente?
Mijn tuintje is minuscuul, dus als er iets eetbaars uit komt is dat een bijzondere gebeurtenis. Met een groot gevoel van tevredenheid kon ik afgelopen week de eerste doperwten serveren.
Het was niet véél, want een bende criminele merels heeft, om hen moverende redenen, de taak op zich genomen mijn erwten-bedje grondig om te spitten. Ik heb het maaltje dan ook moeten aanvullen met wat andere oogst uit mijn tuin: champignons.
Waar komen die vandaan?
Het stukje zandgrond, dat ik bewoon, is buitengewoon geschikt om huizen op te bouwen (nooit last van vocht in de kruipruimte, waarvoor dank) maar voor het verbouwen van groente is het net iets minder geschikt. Zand, armzalig zand, dat geen vocht vasthoudt en nauwelijks voedingsstoffen bevat. Daar moet organisch materiaal bij. Ik composteer zo ongeveer alles wat ik te pakken kan krijgen (behalve snijbloemen en citrusfruit. Die schijnen zo vol gifstoffen en schimmelremmers te zitten dat ze het composteerproces remmen) en daarmee zou ik het moeten kunnen redden.
Maar ieder jaar ga ik weer voor de bijl als de kinderen van de Scouting langskomen met hun mestactie.
Ten eerste heb ik zelf jarenlang op Scouting gezeten, dus ik weet hoe het is om met allerhande acties langs de deuren te moeten om geld op te halen voor weer een kamp. Of nieuwe pioniertouwen of weet ik veel wat. Daarom, uit een mengeling van empathie en nostalgie, doe ik altijd weer mee. Ik haal er ook mijn oliebollen op oudjaarsdag.
Ten tweede is mijn schrale grond zo frustrerend, dat ik het aanbod van goedkope mest, die in elke gewenste hoeveelheid aan je deur wordt afgeleverd, niet kan weerstaan. Ook niet als het uitgekauwde paardenschijt is. Paardenmest is van zichzelf al niet de meest voedselrijke mestsoort (kippenmest is het best, schapenmest moet ook heel gunstig wezen), en de mest die de scouts rondbrengen is al gebruikt om champignons op te kweken. Dus een groot deel van de voedingsstoffen is er al uit geslurpt door de paddenstoelen. Wat er overblijft bestaat, vermoed ik, voornamelijk uit koolwaterstoffen die niet veel meer doen dan het verbeteren van de grondstructuur.
Nou ja, da's ook nooit weg.
Ik houd mezelf maar voor dat ik die mest afneem vanwege de community building waar veel duurzaamheidsdenkers de mond van vol hebben.
Afijn. Champignons, zoals bekend, zijn de voorplantingsorganen van een schimmel die bestaat uit een netwerk van kriegelige draadjes onder de grond. Dat ondergrondse deel, het mycelium, kan zich in theorie kilometers ver uitstrekken; het grootste levende wezen ter wereld schijnt een mycelium te wezen in een bos ergens in het noordwesten van de VS. Een organisme zo groot als een bos - dát is nog eens succesverhaal! Maar goed, wij mensen hebben voetstappen op de maan gezet en dat doen de paddenstoelen ons dan weer niet na.
Dus de champignons in mijn tuin stellen mij, wat betreft hun herkomst, niet voor een raadsel.
Maar.
Champignons in juni? Paddenstoelen horen toch bij de herfst? Die houden toch van nat en koud?
Het was mij niet ontgaan dat deze junimaand nat en koud was. De radio meldde dat we zelfs dat we onder de temperaturen zijn gedoken van, hou je vast, eerste kerstdag. Maar ik merkte pas echt hoe ver het ging, toen ik de paddenstoelen zag opkomen. In hoeveelheden die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. (De bruikbare oogst was maar gering, trouwens - het oogsten van champignons uit eigen tuin vergt een gevoel voor timing dat aan het onmenselijke grenst. Als je ze íets te lang laat staan, worden ze sponsachtig. Als je ze te vroeg oogst, zijn ze te klein om veel plezier van te hebben en als ze ook maar een dag te lang in je kelder liggen, rotten ze weg. Of ze verschimmelen - dat heeft iets ironisch, vind ik altijd: een schimmel die verschimmelt. Weet-ie ook eens hoe het is).
Gelukkig heb ik maar weinig domme kennissen. Want domme mensen zeggen bij elke vlaag kou: zie je wel dat het meevalt, met die global warming. En dan moet je weer gaan uitleggen dat de hele wereld, gemiddeld genomen, warmer wordt maar dat dat op lokaal niveau vooral tot gevolg heeft dat het weer vreemd en onvoorspelbaar wordt. Daarom wordt wel gezegd dat de term 'Global warming' eigenlijk zou moeten worden vervangen door 'global weirding': het wereldwijd optreden van bizarre weersomstandigheden.
En bizar is het zeker, deze paddenstoelenoogst.
Het was niet véél, want een bende criminele merels heeft, om hen moverende redenen, de taak op zich genomen mijn erwten-bedje grondig om te spitten. Ik heb het maaltje dan ook moeten aanvullen met wat andere oogst uit mijn tuin: champignons.
Waar komen die vandaan?
Het stukje zandgrond, dat ik bewoon, is buitengewoon geschikt om huizen op te bouwen (nooit last van vocht in de kruipruimte, waarvoor dank) maar voor het verbouwen van groente is het net iets minder geschikt. Zand, armzalig zand, dat geen vocht vasthoudt en nauwelijks voedingsstoffen bevat. Daar moet organisch materiaal bij. Ik composteer zo ongeveer alles wat ik te pakken kan krijgen (behalve snijbloemen en citrusfruit. Die schijnen zo vol gifstoffen en schimmelremmers te zitten dat ze het composteerproces remmen) en daarmee zou ik het moeten kunnen redden.
Maar ieder jaar ga ik weer voor de bijl als de kinderen van de Scouting langskomen met hun mestactie.
Ten eerste heb ik zelf jarenlang op Scouting gezeten, dus ik weet hoe het is om met allerhande acties langs de deuren te moeten om geld op te halen voor weer een kamp. Of nieuwe pioniertouwen of weet ik veel wat. Daarom, uit een mengeling van empathie en nostalgie, doe ik altijd weer mee. Ik haal er ook mijn oliebollen op oudjaarsdag.
Ten tweede is mijn schrale grond zo frustrerend, dat ik het aanbod van goedkope mest, die in elke gewenste hoeveelheid aan je deur wordt afgeleverd, niet kan weerstaan. Ook niet als het uitgekauwde paardenschijt is. Paardenmest is van zichzelf al niet de meest voedselrijke mestsoort (kippenmest is het best, schapenmest moet ook heel gunstig wezen), en de mest die de scouts rondbrengen is al gebruikt om champignons op te kweken. Dus een groot deel van de voedingsstoffen is er al uit geslurpt door de paddenstoelen. Wat er overblijft bestaat, vermoed ik, voornamelijk uit koolwaterstoffen die niet veel meer doen dan het verbeteren van de grondstructuur.
Nou ja, da's ook nooit weg.
Ik houd mezelf maar voor dat ik die mest afneem vanwege de community building waar veel duurzaamheidsdenkers de mond van vol hebben.
Afijn. Champignons, zoals bekend, zijn de voorplantingsorganen van een schimmel die bestaat uit een netwerk van kriegelige draadjes onder de grond. Dat ondergrondse deel, het mycelium, kan zich in theorie kilometers ver uitstrekken; het grootste levende wezen ter wereld schijnt een mycelium te wezen in een bos ergens in het noordwesten van de VS. Een organisme zo groot als een bos - dát is nog eens succesverhaal! Maar goed, wij mensen hebben voetstappen op de maan gezet en dat doen de paddenstoelen ons dan weer niet na.
Dus de champignons in mijn tuin stellen mij, wat betreft hun herkomst, niet voor een raadsel.
Maar.
Champignons in juni? Paddenstoelen horen toch bij de herfst? Die houden toch van nat en koud?
Het was mij niet ontgaan dat deze junimaand nat en koud was. De radio meldde dat we zelfs dat we onder de temperaturen zijn gedoken van, hou je vast, eerste kerstdag. Maar ik merkte pas echt hoe ver het ging, toen ik de paddenstoelen zag opkomen. In hoeveelheden die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. (De bruikbare oogst was maar gering, trouwens - het oogsten van champignons uit eigen tuin vergt een gevoel voor timing dat aan het onmenselijke grenst. Als je ze íets te lang laat staan, worden ze sponsachtig. Als je ze te vroeg oogst, zijn ze te klein om veel plezier van te hebben en als ze ook maar een dag te lang in je kelder liggen, rotten ze weg. Of ze verschimmelen - dat heeft iets ironisch, vind ik altijd: een schimmel die verschimmelt. Weet-ie ook eens hoe het is).
Gelukkig heb ik maar weinig domme kennissen. Want domme mensen zeggen bij elke vlaag kou: zie je wel dat het meevalt, met die global warming. En dan moet je weer gaan uitleggen dat de hele wereld, gemiddeld genomen, warmer wordt maar dat dat op lokaal niveau vooral tot gevolg heeft dat het weer vreemd en onvoorspelbaar wordt. Daarom wordt wel gezegd dat de term 'Global warming' eigenlijk zou moeten worden vervangen door 'global weirding': het wereldwijd optreden van bizarre weersomstandigheden.
En bizar is het zeker, deze paddenstoelenoogst.
woensdag 9 mei 2012
De ruwe tanden van de lente
Duurzaamheid – het wil maar geen trend worden. Een van de redenen daarvoor is, vermoed ik, gelegen in het feit dat het woord op teveel verschillende vlaggetjes staat. Vlaggetjes waarachter heel verschillende colonnes marcheren, op heel verschillende marsmuziek en in heel verschillende uniformen, en uiteindelijk zelfs in heel verschillende richtingen.
Daar is bijvoorbeeld de colonne der doemdenkers, een luidruchtige phalanx die niet aflaat ons te wijzen op de aanstaande gevaren van Peak Oil, klimaatverandering, de schier leeggeviste oceanen met hun dead zones en plastic-afval-eilanden, de dreigende tekorten aan zoet water en zeldzame aardmetalen en – nou ja, elke doemdenker heeft zo zijn eigen doemscenario (de in de jaren '80 zo populaire kernoorlog maakt in deze kringen een verrassende comeback, meestal als 'uit de hand gelopen conflict tussen India en China om drinkwater'. Dit scenario lijkt overigens te veronderstellen dat niet-blanken op het suicidale af irrationeel zijn en niet in aanraking zouden mogen komen met gevaarlijke technologie. Er bevindt zich een kleine maar buitengewoon onfrisse brigade in de colonne der doemdenkers.)
In een aan de doemdenkers radicaal tegengestelde richting marcheren de 'Bright Greens', die liever nadenken over oplossingen dan over problemen. Die oplossingen moeten doorgaans komen van de technologie: verbeterde zonnecellen, elektrische auto's, gentechnologie, bio-engineering en natuurlijk de panacee die al decennia lang bijna binnen handbereik is: de koude kernfusie. Ook wordt er veel verwacht van computers: Smart Dit en Smart Dat zullen het verschil moeten maken.
De enige min of meer groene partij die ons land arm is, heeft zich stevig midden in dit kamp gepositioneerd. Vanuit electoraal standpunt begrijpelijk: de boodschap 'we gaan duurzaam groeien' zal ongetwijfeld meer stemmen opleveren dan 'we gaan goedschiks of kwaadschiks krimpen'.
Kennelijk leest deze partij, die in haar geschiedenis altijd geïnspireerd is geweest door het Rome-rapport 'Grenzen aan de Groei', datzelfde rapport nu als 'kuch-kuch, kuch, kuch, Groei'.
Dan is er nog de colonne van de hippe duurzamen, voor wie de bakfiets meer een lifestyle-keuze dan een serieus vervoermiddel is.
En er is de goed bewapende troepenmacht van het bedrijfsleven, die met steeds luider tromgeroffel haar eigen duurzaamheid verkondigt. Doorgaans bestaan de wapens van deze colonne voornamelijk uit trommels, versterkers en megafoons. Het woord duurzaamheid ligt vooraan in hun blaffende bek, maar als het op bijten aankomt geven ze helaas zelden thuis.
Een mooi voorbeeld van de bij deze groep populaire strategie 'greenwashing' zag ik ooit op een pak melk. Daar stond te lezen: 'Dit is een duurzame verpakking. Je kunt hem recyclen door hem in de open haard te gooien en zo je huis te verwarmen.'
Je kunt maar lef hebben, als melkpakkenfabrikant.
(Voor wie het zich afvraagt: de binnenkant van dit melkpak had gewoon de gebruikelijke plastic coating)
Als er zoveel verschillende stemmen klinken, kan het niet anders of er dient zich een volgende colonne aan: die der verwarden. Gelieve 'verward' hier te beschouwen als een eufemisme. Wie wel eens iemand heeft horen beweren: 'Ik leef heel duurzaam want mijn auto is al twintig jaar oud', die weet wat ik bedoel.
Al deze colonnes bestaan weer uit brigades en detachementen, voorposten en achterhoedes die het hartgrondig met elkaar oneens zijn. Ze hebben ook allemaal argumenten, de een wat overtuigender dan de ander, maar toch: het is een hels karwei om uit te zoeken wie er gelijk heeft.
Een groep waar ik mij in elk geval niet toe zal rekenen is de colonne die het einde der beschaving stiekem als een zegen beschouwt. Dat zijn de mensen die eigenlijk toch al vonden dat het niet helemaal de goede kant op ging met dat hele beschavingsgedoe, en die alle eerder genoemde problemen (peak oil, klimaat, oceanen etcetera ad nauseam) voornamelijk beschouwen als de krachtige hand van Moeder Natuur, die ons vastgrijpt om ons eens te meer aan haar weelderige boezem te drukken, en nu voorgoed.
Deze groep gaat er stiekem van uit dat - als wij maar eenmaal leven volgens het Ritme van de Seizoenen - en als wij nemen wat de Aarde ons geeft, in plaats van te nemen wat we nodig denken te hebben – dat wij dan vanzelf gelukkiger en gezonder zullen worden.
Op het thema 'gezondheid' zal ik voorlopig niet ingaan, maar ik kan nu alvast wel zeggen dat deze leiden behoorlijk ongelijk hebben.
Over het Ritme van de Seizoenen kan ik kort zijn: dat deugt niet. In de winter en de vroege lente is er gewoon nergens vers voedsel te vinden. Ja, in Kenia, en Nieuw Zeeland en dat soort locaties, daar vind je sperzieboontjes en tomaten en paprika's en courgettes en, en, en je kunt het zo gek niet verzinnen. Dat ligt dus ook allemaal in de Nederlandse supermarkten (zolang het vliegverkeer nog vliegt).
Maar als we van Nederlandse verswaren afhankelijk zouden zijn (bijvoorbeeld om dat de kerosine op begon te raken), dan zou het van januari (laatste veldsla) tot april (eerste spinazie) armoe troef zijn. Één en al pompoenen, bonen en aardappelen. Kan heel lekker zijn, maar eind maart, begin april is het allemaal niet meer op zijn best. Of domweg op.
Dan komt daar de nieuwe oogst!
Waar je ook niet bepaald mollig van wordt.
Want wat heb ik de afgelopen twee weken uit mijn tuintje kunnen halen: spinazie en rabarber.
Verser dan ik mijn spinazie vandaag gegeten heb, kun je het nergens krijgen.
In totaal heb ik van een halve vierkante meter (was eerst een hele, maar muizen hebben zich aan mijn jonge aanplant vergrepen) ruim anderhalve kilo gehaald. Niet onaardig, maar als alles wat er tussen jou en een zekere hongerdood instaat 15 ons spinazie is...
De rabarber gaat daar nog ruim overheen, natuurlijk, maar daar moet je van houden. Doen mijn kinderen niet.
Ik wel, al is er één ding dat mij tegenstaat aan rabarber: je voelt het zo aan je tanden, als je ervan eet. Ze gaan ruw aanvoelen, als je er met je tong langs gaat. Alsof het bovenste laagje glazuur van je tanden is weggebeten.
En dat is het ook.
De boosdoener is oxaalzuur, een licht giftig stofje dat niet alleen in rabarber zit, maar ook in... spinazie! Zo merkte ik vandaag.
Kennelijk is oxaalzuur een stofje dat buitengewoon goed past bij de vroege lente. Nou lekker dan. Met je Ritme der Seizoenen.
Zolang je er niet teveel van eet kan het goedje overigens geen kwaad, hoor. Je moet er heel wat van naar binnen werken om last te krijgen van de laxerende werking.
Degenen die zeggen: “maar ik krijg er ook veel van binnen, want ik leef keurig volgens het Ritme der Seizoenen” hoeven ook nog niet in paniek te raken; oxaalzuur is heel makkelijk te neutraliseren. Je voegt gewoon een theelepeltje zuiver krijt toe aan je pannetje met groente. Zuiver krijt haal je bij de betere natuurdrogist – niet zomaar een handje vol schoolbordkrijt nemen! Daar zitten doorgaans niet alleen kleurstoffen in, maar ook allerlei goedjes die moeten voorkomen dat het krijtje teveel stof afgeeft. Dat wil je allemaal niet in je eten.
Van oxaalzuur gaat de boel gemeen schuimen, dat ziet er onaangenaam chemisch uit, maar de gedachte 'dit hadden ook mijn tanden kunnen zijn' maakt veel goed.
Soms moet Moeder Natuur gewoon een chemische schop onder haar kont hebben.
Daar is bijvoorbeeld de colonne der doemdenkers, een luidruchtige phalanx die niet aflaat ons te wijzen op de aanstaande gevaren van Peak Oil, klimaatverandering, de schier leeggeviste oceanen met hun dead zones en plastic-afval-eilanden, de dreigende tekorten aan zoet water en zeldzame aardmetalen en – nou ja, elke doemdenker heeft zo zijn eigen doemscenario (de in de jaren '80 zo populaire kernoorlog maakt in deze kringen een verrassende comeback, meestal als 'uit de hand gelopen conflict tussen India en China om drinkwater'. Dit scenario lijkt overigens te veronderstellen dat niet-blanken op het suicidale af irrationeel zijn en niet in aanraking zouden mogen komen met gevaarlijke technologie. Er bevindt zich een kleine maar buitengewoon onfrisse brigade in de colonne der doemdenkers.)
In een aan de doemdenkers radicaal tegengestelde richting marcheren de 'Bright Greens', die liever nadenken over oplossingen dan over problemen. Die oplossingen moeten doorgaans komen van de technologie: verbeterde zonnecellen, elektrische auto's, gentechnologie, bio-engineering en natuurlijk de panacee die al decennia lang bijna binnen handbereik is: de koude kernfusie. Ook wordt er veel verwacht van computers: Smart Dit en Smart Dat zullen het verschil moeten maken.
De enige min of meer groene partij die ons land arm is, heeft zich stevig midden in dit kamp gepositioneerd. Vanuit electoraal standpunt begrijpelijk: de boodschap 'we gaan duurzaam groeien' zal ongetwijfeld meer stemmen opleveren dan 'we gaan goedschiks of kwaadschiks krimpen'.
Kennelijk leest deze partij, die in haar geschiedenis altijd geïnspireerd is geweest door het Rome-rapport 'Grenzen aan de Groei', datzelfde rapport nu als 'kuch-kuch, kuch, kuch, Groei'.
Dan is er nog de colonne van de hippe duurzamen, voor wie de bakfiets meer een lifestyle-keuze dan een serieus vervoermiddel is.
En er is de goed bewapende troepenmacht van het bedrijfsleven, die met steeds luider tromgeroffel haar eigen duurzaamheid verkondigt. Doorgaans bestaan de wapens van deze colonne voornamelijk uit trommels, versterkers en megafoons. Het woord duurzaamheid ligt vooraan in hun blaffende bek, maar als het op bijten aankomt geven ze helaas zelden thuis.
Een mooi voorbeeld van de bij deze groep populaire strategie 'greenwashing' zag ik ooit op een pak melk. Daar stond te lezen: 'Dit is een duurzame verpakking. Je kunt hem recyclen door hem in de open haard te gooien en zo je huis te verwarmen.'
Je kunt maar lef hebben, als melkpakkenfabrikant.
(Voor wie het zich afvraagt: de binnenkant van dit melkpak had gewoon de gebruikelijke plastic coating)
Als er zoveel verschillende stemmen klinken, kan het niet anders of er dient zich een volgende colonne aan: die der verwarden. Gelieve 'verward' hier te beschouwen als een eufemisme. Wie wel eens iemand heeft horen beweren: 'Ik leef heel duurzaam want mijn auto is al twintig jaar oud', die weet wat ik bedoel.
Al deze colonnes bestaan weer uit brigades en detachementen, voorposten en achterhoedes die het hartgrondig met elkaar oneens zijn. Ze hebben ook allemaal argumenten, de een wat overtuigender dan de ander, maar toch: het is een hels karwei om uit te zoeken wie er gelijk heeft.
Een groep waar ik mij in elk geval niet toe zal rekenen is de colonne die het einde der beschaving stiekem als een zegen beschouwt. Dat zijn de mensen die eigenlijk toch al vonden dat het niet helemaal de goede kant op ging met dat hele beschavingsgedoe, en die alle eerder genoemde problemen (peak oil, klimaat, oceanen etcetera ad nauseam) voornamelijk beschouwen als de krachtige hand van Moeder Natuur, die ons vastgrijpt om ons eens te meer aan haar weelderige boezem te drukken, en nu voorgoed.
Deze groep gaat er stiekem van uit dat - als wij maar eenmaal leven volgens het Ritme van de Seizoenen - en als wij nemen wat de Aarde ons geeft, in plaats van te nemen wat we nodig denken te hebben – dat wij dan vanzelf gelukkiger en gezonder zullen worden.
Op het thema 'gezondheid' zal ik voorlopig niet ingaan, maar ik kan nu alvast wel zeggen dat deze leiden behoorlijk ongelijk hebben.
Over het Ritme van de Seizoenen kan ik kort zijn: dat deugt niet. In de winter en de vroege lente is er gewoon nergens vers voedsel te vinden. Ja, in Kenia, en Nieuw Zeeland en dat soort locaties, daar vind je sperzieboontjes en tomaten en paprika's en courgettes en, en, en je kunt het zo gek niet verzinnen. Dat ligt dus ook allemaal in de Nederlandse supermarkten (zolang het vliegverkeer nog vliegt).
Maar als we van Nederlandse verswaren afhankelijk zouden zijn (bijvoorbeeld om dat de kerosine op begon te raken), dan zou het van januari (laatste veldsla) tot april (eerste spinazie) armoe troef zijn. Één en al pompoenen, bonen en aardappelen. Kan heel lekker zijn, maar eind maart, begin april is het allemaal niet meer op zijn best. Of domweg op.
Dan komt daar de nieuwe oogst!
Waar je ook niet bepaald mollig van wordt.
Want wat heb ik de afgelopen twee weken uit mijn tuintje kunnen halen: spinazie en rabarber.
Verser dan ik mijn spinazie vandaag gegeten heb, kun je het nergens krijgen.
In totaal heb ik van een halve vierkante meter (was eerst een hele, maar muizen hebben zich aan mijn jonge aanplant vergrepen) ruim anderhalve kilo gehaald. Niet onaardig, maar als alles wat er tussen jou en een zekere hongerdood instaat 15 ons spinazie is...
De rabarber gaat daar nog ruim overheen, natuurlijk, maar daar moet je van houden. Doen mijn kinderen niet.
Ik wel, al is er één ding dat mij tegenstaat aan rabarber: je voelt het zo aan je tanden, als je ervan eet. Ze gaan ruw aanvoelen, als je er met je tong langs gaat. Alsof het bovenste laagje glazuur van je tanden is weggebeten.
En dat is het ook.
De boosdoener is oxaalzuur, een licht giftig stofje dat niet alleen in rabarber zit, maar ook in... spinazie! Zo merkte ik vandaag.
Kennelijk is oxaalzuur een stofje dat buitengewoon goed past bij de vroege lente. Nou lekker dan. Met je Ritme der Seizoenen.
Zolang je er niet teveel van eet kan het goedje overigens geen kwaad, hoor. Je moet er heel wat van naar binnen werken om last te krijgen van de laxerende werking.
Degenen die zeggen: “maar ik krijg er ook veel van binnen, want ik leef keurig volgens het Ritme der Seizoenen” hoeven ook nog niet in paniek te raken; oxaalzuur is heel makkelijk te neutraliseren. Je voegt gewoon een theelepeltje zuiver krijt toe aan je pannetje met groente. Zuiver krijt haal je bij de betere natuurdrogist – niet zomaar een handje vol schoolbordkrijt nemen! Daar zitten doorgaans niet alleen kleurstoffen in, maar ook allerlei goedjes die moeten voorkomen dat het krijtje teveel stof afgeeft. Dat wil je allemaal niet in je eten.
Van oxaalzuur gaat de boel gemeen schuimen, dat ziet er onaangenaam chemisch uit, maar de gedachte 'dit hadden ook mijn tanden kunnen zijn' maakt veel goed.
Soms moet Moeder Natuur gewoon een chemische schop onder haar kont hebben.
Abonneren op:
Posts (Atom)