Posts tonen met het label biologisch tuinieren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label biologisch tuinieren. Alle posts tonen

zaterdag 2 februari 2013

Het Hongergat

Voordat het een manager-codewoord was voor 'probleem', of meer specifiek voor 'toestand op de werkvloer waar jij, als werknemer, een hekel aan hebt maar die ik, als manager, toch ga veroorzaken', betekende het woord 'uitdaging' dat iemand je opriep tot een gevecht of een wedstrijd.
Af en toe is het, helaas, nodig dit soort dingen hardop uit te spreken als we onze geestelijke gezondheid willen bewaren in een samenleving waar het managment-wezen zich, als koudvuur, een weg naar binnen vreet.
Dus als ik vandaag schrijf over een uitdaging, beste lezer, hoop ik dat u begrijpt dat ik het niet wil hebben oven een probleem waarmee ik mezelf geconfronteerd zie, en ook niet over een probleem waarmee ik u confronteer; ik heb het over een vriendschappelijk wedstrijdje dat ik met u wil aangaan.
Een wedstrijdje dat gaat over eten van het seizoen - dat vind ik nu eenmaal interessant.
Het geval wil namelijk dat wij het Hongergat beginnen te naderen. Ik heb geen idee of dit een bona fide Nederlands woord is, overigens; het is een vertaling van het Engelse 'hunger gap', waarmee die periode van het jaar wordt aangeduid dat er geen voedselgewassen van het veld komen en de voorraden van het vorige jaar beginnen op te raken. We zijn er nog niet helemaal, strikt gesproken: gisteren heb ik nog een aardige hoeveelheid prei gestoken, in de voortuin staat nog een restje veldsla en in volkstuintjes kunnen we hier en daar nog boeren- en spruitkool zien staan.
Overigens: wie zich afvraagt hoe gehate groenten als spruitjes en spinazie zich zo diep in het Nederlandse menu hebben kunnen nestelen, kan hierin het antwoord vinden; spruitjes zijn, in ons klimaat, oogstbaar tot in maart, en spinazie is te plukken vanaf april. De enige reden dat deze twee groenten in veel huishoudens tot het verleden zijn gaan behoren is dat we inmiddels krankzinnige hoeveelheden energie steken in het consumeren van voedsel dat geproduceerd is op een ander halfrond, of dichterbij maar in een warmgestookte kas.
Wie duurzaam wil eten, laat echter de verse kas-tomaten en de Keniaanse sperzieboontjes links liggen. Die zit dus vast aan de traditionele, 'vieze'groenten.
Om heel eerlijk te zijn: van spinazie weet ik nog wel het een en ander te maken, maar als het op spruitjes aankomt gooi ook ik de handdoek al snel ik de ring.
Gelukkig zijn er ook nog de traditionele bewaargroenten: groenten die, ook buiten het vriesvak, lang houdbaar zijn en tot ver in het voorjaar gegeten kunnen worden met een minimaal verlies aan smaak en voedingswaarde. Denk aan pompoen, bieten, winterwortelen, bruine bonen en dergelijke.
Aangezien deze groenten zonder extra verbruik van energie bewaard kunnen worden tell ik ze even mee als seizoensgroenten. Dat verbreedt de mogelijkheden om van het seizoen te eten aanmerkelijk, maar in vergelijking met wat we in de supermarkt kunnen vinden blijft het een smalle basis voor een smakelijk en gevarieerd menu.
Wie duurzaam wil eten, moet het seizoensvoedsel weer terug op zijn menu zien te wurmen. Dat is geen sinecure: we zijn gewend geraakt aan lekker en makkelijk eten. Althans, dat geldt voor mijn gezin. De een lust geen enkele kool behalve bloemkool, de ander houdt niet van stamppot of soep, een derde niet van bonen... kortom: vrijwel het gehele Nederlandse wintermenu kan bij ons op woedende protesten rekenen.
Aangezien mijn kinderen binnen mijn kennissenkring beschouwd worden als bikkels die zelden zeuren, vermoed ik dat er gezinnen zijn waar het nog minder makkelijk zal zijn om een seizoensmenu samen te stellen.

Het wordt zo langzamerhand tijd om op de proppen te komen met de aangekondigde uitdaging.
Welnu: ik heb mezelf ten doel gesteld één seizoensgroente te kiezen en die een week lang elke dag op het menu te zetten. Zonder dat het gezin reden heeft tot klagen of protesteren, en zonder twee keer hetzelfde gerecht te serveren.
Ik heb het mezelf makkelijk gemaakt en een lekkere, veelzijdige groente genomen: de winterwortel. Deze week eten wij dus:
Wortels gestoofd in Balsamico-azijn, Wortelsalade, Hartige groentenmuffins (voor groenten lees wortel), Roergebakken wortel met gember en mosterdzaad, Hartige taart met wortels en cashewnoten, Wortel-thijmrisotto en Pannenkoeken.
Voor wie het zich afvraagt: jazeker, ik bak pannenkoeken met een Geheim Ingrediënt, dat zorg draagt voor een prachtige goudgele kleur en bovendien de pannenkoeken, toch al rijk aan eiwitten én vetten én zetmeel nog wat verder de Schijf van Vijf op duwt.
Let wel: dit is niet álles wat ik de komende week eet: ik eet so wie so elke dag twee verschillende groenten, dus er blijft nog genoeg te variëren over.

Mijn uitdaging aan u: neem een wintergroente en zet die een week lang elke dag op het menu, zonder dat uw gezin gaat klagen en zonder het twee keer op dezelfde manier te bereiden. Als u een makkelijke groente kiest, zoals winterwortel of pompoen, dan staan we quitte. Neemt u iets moeilijks zoals spruitjes of boerenkool, dan wint u.
U wint ook als u zeven gerechten bedenkt die op een energiezuinige manier kunnen worden bereid, bijvoorbeeld in de hooikist, want daar ga ik nog een beetje de mist in. Jammer maar helaas; wie moeilijk doet over zijn eerste stap, die komt nooit ergens.

zaterdag 29 december 2012

De vijf duurzaamste dingen van 2012

Wat doe je in de laatste blogpost van het jaar? Terugblikken natuurlijk!
En hier op Groene Voeten blik ik terug op de duurzame kanten van het leven in 2012.
Om precies te zijn: op de duurzame kanten van mijn leven, want nog maar weer eens melden dat er weer een ronde klimaatbesprekingen de mist in is gegaan, en dat Nederland inmiddels het smerigste jongetje van de Europese klas is, is
A) saai, omdat je dat bericht elk jaar wel kunt plaatsen, en
B) laf, omdat de verandering naar duurzaamheid niet aan vergadertafels maar aan keukentafels wordt gemaakt. De wereld zul je zelf moeten veranderen; niemand anders gaat het voor je doen.
Daarom hierbij: de top vijf van manieren waarop ik mijn leven duurzamer heb gemaakt in 2012.

Op 1, met stip: de houtkachel! Niet dat ik die dit jaar heb laten installeren; dat was eind december 2011. Maar dit jaar heb ik 'm in gebruik genomen, ik heb een houtopslag in de tuin gemaakt en een groot deel van de lente en herfst heb ik hout gestookt in plaats van aardgas. En bovenal: ik heb mijn kachel leren gebruiken. Elke kachel en elke schoorsteen is anders, en de combinatie warme kamer+volledige verbranding+laag houtverbruik bereik je pas na veel oefening.

Op 2: de tuin. Niet alleen heb ik dit jaar een tweede groentenbed in productie genomen, waarvan ik smakelijke spinazie, koolrabi en pompoen heb kunnen smikkelen waar geen vervoerskilometer aan te pas is gekomen, ook heb ik me te pletter gelezen over permacultuur en Bio-intensieve tuinbouw, een volkstuin gehuurd voor het komende jaar, struiken en heesters ontworteld om volgend jaar mijn hele voortuin in productie te nemen en zaad en zaailingen besteld voor het komende jaar. (Ik speel hier een beetje vals... als ik al deze voorbereidingen tot vrucht laat komen in 2013, staan ze volgend jaar weer in mijn top vijf)

Op 3: de ledlampen. Een groot deel van mijn huis wordt inmiddels met LED verlicht. Serieuze besparing op elektriciteit!

Op 4: de hooikist. Die is nog niet helemaal af, maar al wel volop in gebruik. Ik heb niet geteld hoeveel pannen rijst, soep, bieten etc. ik daarin heb gekookt en wat ik daarmee aan gas heb bespaard, maar het is aardig wat.

Op 5: Hmmm... moeilijke keuze! Verschillende kleine verbeteringen strijden om deze laatste plek. Ik hou het op: de jam. Ik heb mezelf aangewend om in de herfst zelf jam te maken van kleinfruit uit de tuin (de kiwi's!) of uit het openbaar domein (bramen, van een overwoekerde groenstrook waar er zoveel groeien dat zelfs de plaatselijke vogelpopulatie ze niet allemaal op krijgt. Dat laatste is wel een voorwaarde om van duurzaam te kunnen spreken, overigens.) Sinds Augustus geen potje jam meer gekocht. De voordelen zijn evident: geen vervoerskilometers en duchtige recycling van jampotjes. De nadelen (energieverspilling door kleinschaligheid) zijn hopelijk kleiner dan de voordelen, maar uitgerekend heb ik het niet en daarom: de laatste plaats.


En jij? hoe is jou leven duurzamer geworden in 2012?

zondag 23 december 2012

Bizarre uitjes

Gisteren zag mijn huishouden een aardige samenloop van omstandigheden: het einde van het groeiseizoen van 2012, en het begin van dat van 2013.
's Avonds stond er veldsla op het menu: het laatste voedsel dat er nog groeit, in mijn tuin. Mijn gezin heeft een collectieve hekel aan vrijwel alle kolen, wat wil zeggen dat oer-hollandse winterdelicatessen zoals boerenkool en spruitjes uitgesloten zijn van deelname aan mijn tuintje.
Aardperen, die ik in het verleden tot in januari heb kunnen oogsten, komen er ook niet meer in. Zelf vind ik dit aardige knolletje zeer smakelijk, maar in mijn gezin wordt daar door sommigen heel anders over gedacht. En mijn enige medestander in dezen krijgt er buikpijn van, dus die ziet de aardpeer ook liever gaan dan komen.
Met prei zou ik nog wel weg kunnen komen, mits met mate toegediend, maar die stond dit jaar domweg niet in mijn teeltplan. Ik heb maar een paar vierkante meter tot mijn beschikking.
Volgend jaar wordt dat radicaal anders. Ten eerste gaat de voortuin op de schop en ten tweede heb ik een volkstuintje gescoord.
Mijn voortuin wordt volledig omgebouwd tot productiemiddel. Fruitbomen, groentebedjes en een paar knotboompjes voor geriefhout. Dat laatste, eerlijk gezegd, voornamelijk omdat ik het woord 'geriefhout' een pracht van een woord vind. Dat krijg je, als je een schrijver een tuin laat bedenken.
Het volkstuintje is een iets ander verhaal: dat ga ik gebruiken om te experimenteren met een oude indiaanse teeltmethode, de zg. 'Three Sisters'. In die methode plant je mais, bonen en pompoenen door elkaar, en dat zou elkaar dan enorm goed moeten helpen en tot grote groeiprestaties opzwepen. De stengels van de mais dienen als staken waarlangs de bonen op kunnen klimmen, de bonen leggen stikstof vast in de bodem waar de mais en de pompoenen van kunnen mee-snoepen, de pompoenen houden met hun grote bladeren het onkruid in toom, kortom, als het goed is heb je er de hele zomer geen omkijken naar en is het daarna overvloedig oogsten geblazen.
Voor al die plannen heb ik natuurlijk zaaigoed nodig, en dat heeft de onvolprezen firma Vreeken keurig netjes naar mij opgestuurd. Gisterenmiddag kwam mijn bestelling aan; dat is wat ik bedoelde, toen ik zei dat het groeiseizoen van 2013 voor mij al begonnen was.
Het meest in mijn nopjes was ik met de ongebruikelijke ui-achtigen die ik besteld had. Daslook, Oerprei en St.-Jansuitjes - die eerste ken ik slechts van horen zeggen, de andere twee ken ik helemaal nérgens van. Ik heb ze voornamelijk aangeschaft om ze onder de fruitboompjes te zetten - het schijnt dat planten uit de uien-familie, met hun sterke geur, ongedierte (lees: bladluizen) zodanig in de war brengen dat de arme beestjes de boom niet meer kunnen vinden.
Tussen de bizarre uitjes komt rode klaver te staan, ook weer een stikstof-binder, die mijn fruitboompjes zal doen groeien als kool. Heb ik ergens gelezen.

Hmmm. Ik heb nu al drie keer een voorbehoud moeten maken. Mijn plannen zijn wel erg afhankelijk van wat ik zoal gelezen heb over Permacultuur, en ik weet nog heel goed wat het resultaat was, de vorige keer dat ik mij verliet op wijsheid-van-horen-zeggen.
Volgend jaar, zo rond oktober, weet ik pas hoe het verhaaltje verder gaat.
Dat is een beetje de ellende van tuinieren: de leercurve kan niet sneller stijgen dan het ritme van de seizoenen toestaat.
Of je moet een tuin in Zuid-Afrika nemen, zodat je op twee halfronden tegelijk kunt experimenteren. Dan gaat het twee keer zo snel.
Maar dan moet je wel heel veel vliegreizen maken, dus van duurzaamheid is dan geen sprake meer.

zondag 25 november 2012

Kiwi-RSI

Wij mensapen delen een genetische afwijking met fruitvleermuizen en cavia's: we kunnen in onze lichamen geen ascorbinezuur aanmaken. En zonder A-Scorbinezuur krijgen we last van Scorbus, oftewel scheurbuik, want ascorbinezuur is hetzelfde goedje als vitamine C. Jazeker, lezer: alle andere dieren en planten kunnen vitamine C maken. Alleen wij, de cavia's en de fruitvleermuisjes niet. Hartelijk dank, moeder Natuur, dat heeft u weer fijn geregeld!
Gelukkig eet ik graag fruit, dus dat probleem kan opgelost worden.
Al jaren lang staat er dan ook een kiwi-plant te groeien tegen een zuidelijke muur van mijn huis. Een klimplant met mooie, grote bladeren die 's zomers de zon uit de kamer houden en 's winters op een hoopje lekkere mulch liggen te maken. Maar het gaat niet om de bladeren, natuurlijk (hoewel die al twee zeer nuttige dingen doen). Het gaat om de kiwi's.
Welnu: de kiwi-oogst was groot, dit jaar. Kilootje of dertien, van 1 plant.
Dat klinkt goed, maar het levert nogal wat problemen op.
Om te beginnen: de kiwi-plant komt oorspronkelijk uit China, en doe het ook in Nieuw-Zeeland erg goed. Die landen hebben een ander klimaat dan wij. Dus, jammer jammer, in Nederland worden kiwi's niet rijp. Kiwi's moet je oogsten vóór de eerste vorst, en we hadden een vrij vroege nachtvorst dit jaar, dus begin oktober zat ik opeens met dertien kilo onrijpe kiwi's opgescheept.
Nu schijnt het dat je ze in een koele ruimte kunt laten narijpen. Dat komt dan mooi uit, want ik heb een koele ruimte: mijn kelder.
Maar hoe sla je kiwi's op?
Ik dacht: laat ik ze maar eens op stro leggen. Dat was waarschijnlijk een goede gedachte. Aangezien echter een groot deel van de beschikbare vloer- en plankruimte in mijn kelder zou worden ingenomen door dertien netjes op stro uitgespreide kilo's kiwi's kwam ik op het onzalige idee ze te stapelen. In, ik zal het maar eerlijk zeggen, manden en dozen.
Daar liet ik ze anderhalf maandje liggen. Om na te rijpen. Nu weet ik nog van vorig jaar dat kiwi's heel lang in onrijpe toestand blijven, om daarna ineens helemaal zacht en bah-vies te worden. Overrijpe kiwi's daar kun je helemaal niets meer mee.
Onrijpe kiwi's zijn ook geen pretje - keihard en veel te zuur - maar daar is nog iets aan te doen. En dat deed ik dan ook: ik maakte er kiwi-jam van.
Niet van alle dertien kilo, natuurlijk, want nu openbaarde zich de enormiteit van mijn opslagfout. Daar in die dozen was de boel gaan schimmelen. Alleen de bovenste laagjes waren nog bruikbaar. Het merendeel van mijn oogst kon dus linea recta de composthoop op.
Geeft niks, sprak ik met tranen in mijn ogen. Compost is ook fijn.
Al doende leert men. Ik heb al jaren de eigenaardige gewoonte eierdozen niet zomaar weg te gooien. Daar heeft vast nog eens iemand iets aan, denk ik steeds, maar niemand wil ze hebben. Behalve dan ikzelf, volgend jaar. Volgend jaar gaan mijn kiwi's in eierdozen. Kijken of ze het dan nog voor elkaar krijgen te gaan schimmelen!
Ik had dus nog ruim vier kilo kiwi's om jam van te maken.
Genoeg voor 6 kilo jam, want er moet suiker bij anders blijft het te zuur; bovendien werk suiker conserverend (het spul zet een proces van osmose in gang, waardoor bacterieën en schimmels domweg uitdrogen. Dan moet je eigenlijk meer suiker gebruiken, de verhouding moet 1:1 zijn, dus ik heb mijn jam nog even gesteriliseerd: 10 minuten in de oven op 150 graden).
Inmiddels weet ik, beste lezer, dat het echt een rotkarweitje is, Kiwi-jam maken. Eerst moet je namelijk 4 kilo kiwi's schillen. Een kiwi zonder schil is een beetje glibberig, die moet je stevig vasthouden, wat de kans op in-je-vinger-snijden aanmerkelijk vergroot. Daardoor ga je krampachtig schillen; ik kreeg er pijn in mijn pols van. Kiwi-RSI - hoe sneu is dat?
En dan zwijg ik nog van die rottige haartjes die overal aan blijven kleven.
Na het schillen moeten de kiwi's even koken. Liefst zo kort mogelijk. Anders kook je, zo schijnt het, alle vitaminen eruit. En daar was het juist allemaal om begonnen.
Maar als je ze maar kort kookt, dan koken ze niet stuk.
De oplossing, dacht ik bij de eerste pan: gewoon even de vruchten in kleine stukjes snijden.
Dat sta je dus een uur te hannesen. Had ik al vermeld dat kiwi's vrij zuur zijn, en dat je dat gaat voelen, als je er een uurtje met je handen in staat? Nee, he?
Nou, dat is dus zo.
Dus bij de tweede pan dacht ik: ik haal ze gewoon door de rasp. Ik heb een hele prettige rasp, met een soort draaimechaniekje eraan. Ziet eruit als een soort ruimteschip van Star Wars (als die grote zwengels op hun dak hadden gehad). Het ding stamt, net als Star Wars overigens, nog uit de jaren '80. Maar ik bewaak hem als een draak zijn schat, want hij raspt alles.
Behalve kiwi's.
Die krengen slagen erin om zich, in een rasp, opeens van hun meest vezelige kant te laten zien. Zacht en toch draderig.
Dus uiteindelijk de staafmixer erop gezet - zeer tegen mijn zin (want gemakzuchtig en kost elektriciteit - moreel gesproken een dodelijke combinatie).
De gestaafmixerde jam kostte minder tijd. Maar was ook minder lekker.
En bovendien schijnen het in jam nu juist de min of meer heel gebleven stukjes te zijn, die niet alleen de smaak, maar ook het vitamine-C gehalte het best intact laten.
Volgend jaar dus: de kiwi's in eierdozen, en jam met stukjes erin.
En ook: de kiwi's dunnen als ze nog aan de plant hangen. Dan blijven ze groter, schijnt het, en dat scheelt met schillen.
Want ook al is het nog zo'n rotkarwei, die kiwi-jam hou ik d'r in.
Lekker spul!

zondag 7 oktober 2012

Het lot van de Schwarze Ungarin

Al een paar weken probeer ik het uit te stellen, maar daar kan ik niet eeuwig mee doorgaan. Uiteindelijk moet de waarheid boven tafel. De mensheid heeft recht op de keiharde feiten. Over mijn aardappeloogst.
Er is een manier van aardappels verbouwen die circuleert op het internet en die zelfs af en toe in boeken wordt beschreven, een revolutionaire manier die enorme opbrengsten op de vierkante meter belooft. Op de kwart vierkante meter.
Het gaat als volgt: neemt vier plankjes van ongeveer een halve meter lang, en een viertal latjes (of balkjes, ik ben geen timmerman en ken het technisch onderscheid tussen een dik latje en een dun balkje niet) van ongeveer een meter. Je schroeft de plankjes aan de latten vast, zodat de planken een vierkant vormen met de latten in de hoeken. Dan zet je dit vierkant, met de planken aan de onderzijde, in een hoekje van je tuin en in het zo ontstane 'bakje' plant je een paar aardappels.
Tot zover alles duidelijk?
Mooi.
Nu wacht je tot de aardappels ontspruiten.
Als de aardappelplanten een zeker formaat bereiken, sommigen van mijn lezers weten dit al lang, moet je de aarde eromheen wat naar de plant toe werken, zodat er een klein heuveltje ontstaat. Dat heuveltje zorgt ervoor dat de nieuw gevormde aardappels, die soms de neiging hebben boven de grond uit te komen, beschermd worden tegen zonlicht. Aardappels die met zonlicht in aanraking vormen glycoalkaloiden; giftige stoffen die de knol min of meer oneetbaar maken (als een aardappel groen is, heeft hij glycoalkaloiden aangemaakt en kun je er een serieuze buikpijn aan overhouden. Hoe serieus die kan worden weet ik niet precies, maar de Aardappel is familie van de Zwarte Nachtschade en daar kun je mensen dood mee krijgen. De gifstoffen zitten trouwens door de hele knol; het groen eraf schillen heeft geen nut).
Een andere reden voor dat heuveltje is dat de aardappelknollen het best groeien in losse aarde, en je kunt wel je hele aardappelveld los gaan spitten tot een diepte van 50 cm, maar het is eenvoudiger om de aarde wat op te hopen; dan ben je meteen aan het wieden.
Het idee is nu dat je, in plaats van aarde om de plant op te hopen, nu de aarde in het vierkante bakje gooit. En dat je, en nu komt het, daarna een nieuwe laag planken aan de latten schroeft en het hele proces herhaalt. Behalve het planten natuurlijk, want dat heb je al gedaan.
En daarna herhaal je het weer, en zo verder tot je een bak hebt van een meter hoog.
Als het tijd is om te oogsten, schroef je je plankjes los en voila: een krankzinnige hoeveelheid piepers op een waanzinnig klein oppervlak.
Velen rapporteren hiermee opbrengsten te halen van 25 kilo op een kwart vierkante meter.
Dat wilde ik ook wel, dus ik heb het eens fijn geprobeerd deze zomer.
Vele anderen rapporteren trouwens hiermee opbrengsten te halen van nul komma nul gram aardappels.
Dus dat werd spannend.
Welnu, mijn opbrengst lag dichter bij de nul dan bij de 25 kilo. Ik had aan het einde van de rit meer aardappels dan ik er aan pootgoed had ingestoken, maar daar is het dan ook wel zo ongeveer mee gezegd.
De methode werkt dus niet...
zou ik zeggen als ik mezelf te serieus nam.
Maar dat doe ik dus niet.
Weet ik veel waar het aan ligt? Misschien is het de methode die nergens op slaat. Misschien stond mijn aardappelbak op de verkeerde plaats (onder een robinia, wat om een veelheid aan redenen verkeerd is: aardappelen horen, naar verluidt, niet in de schaduw te staan, bomen sturen hun wortels omhoog dus mijn mooie aardappelbak zat vol boomwortels die waarschijnlijk heel wat voedingsstoffen bij mijn piepertjes weg hebben gesnoept - aan de andere kant, de wortels van de robinia leggen stikstof vast in de bodem, dus dat zou het probleem niet mogen zijn, of juist wel, wie weet verzopen mijn aardappels in een teveel aan stikstof en trouwens, misschien waren de wortels die ik tegenkwam wel van de naastgelegen klimop, het is een wirwar daar beneden). Of ik heb het verkeerde ras gebruikt (Schwarze Ungarin, ik dacht ik doe eens gek). Of, en dit is niet onwaarschijnlijk, ik heb de aarde er steeds op de verkeerde momenten opgegooid. Ik had nog nooit eerder aardappelen geteeld, dus ik had geen idee wat het goede moment is.
Over de vraag hoe verstandig het is te gaan experimenteren voordat je de basis onder de knie hebt zal ik verder zwijgen.
Feit is dat er maar één manier is waarop het goed kan gaan: als alles klopt. En er zijn heel veel manieren waarop het fout kan gaan. Zie boven.
Zo bezien is elke poging tot wat dan ook een hachelijke onderneming, maar dat is geen reden het bijltje erbij neer te gooien. Om met de grote Beckett te spreken: 'Try again. Fail better.'
Volgend jaar: andere plek, andere pootaardappel. Dán ga ik pas geweldig falen!

zondag 16 september 2012

Het sperziebonenseizoen.

Ik probeer zo veel mogelijk van mijn voedsel te kopen bij de Natuurwinkel. Als ik zeg 'zo veel mogelijk' dan bedoel ik eigenlijk dat ik de de grens trek bij 'schreeuwend duur'. De Natuurwinkel (ik gebruik deze naam even voor alle Natuurwinkels, Ekoplaza's, Gimsels en welke merken je verder allemaal hebt op dit gebied - de verschillen zijn verwaarloosbaar) biedt, zoals u weet, eerlijk voedsel voor een eerlijke prijs. Helaas is die eerlijke prijs zodanig dat iemand die elke dag, bijvoorbeeld, sperzieboontjes eet binnen een jaar moet overstappen naar een andere leverancier. Namelijk de Voedselbank.
Het is een wonderlijke toestand, dat met die sperzieboontjes.
In de Natuurwinkel kun je meestal gemakkelijk zien welke groenten in welk seizoen groeien. Als de courgettes betaalbaar zijn, is het courgetteseizoen. Is de boerenkool betaalbaar, dan is het boerenkoolseizoen.
Hallo, Natuurwinkel! Wanneer is dat stomme sperziebonenseizoen nou eigenlijk? Die krengen zijn het hele jaar door krankzinnig duur.
Voor de meeste groenten geldt bij ons in huis: zijn ze in het seizoen, dan halen we ze bij de Natuurwinkel. Zo niet, dan zijn er twee opties.
Optie 1: ik doe de boodschappen en we eten gewoon iets anders.
Optie 2: mijn lief doet de boodschappen en we eten de onseizoenelijke groente wel, maar die komt gewoon van de Supermarkt.
Meestal doe ik de boodschappen, dus sperzieboontjes eten wij bijna nooit. En dat is jammer, ivm voedzaam en smakelijk.
Bieten eten wij het hele jaar door, want afgaande op de prijs zijn die dingen altijd in het seizoen. In het courgetteseizoen zijn de bietjes goedkoper dan de courgettes. In het pompoenseizoen verslaan ze de pompoenen met gemak en in het boerenkoolseizoen laten ze fluitend de boerenkool achter zich. Staand voor het groentenschap krijg ik soms visioenen van een boer die ontspannen langs de velden kuiert, terwijl er tientallen, honderden bieten op eigen kracht vanuit de grond boenkerdeboenk in zijn kruiwagen springen.
Vreemd genoeg is het in de Supermarkt het het hele jaar sperziebonenseizoen.
Als je ze bij de Super het hele jaar kunt krijgen voor nog geen € 3 de kilo, terwijl ze bij de Natuurwinkel zelden onder de € 8 duiken, dan weet je dat er iets mis is. Iemand hier (ik kijk naar jou, Super) biedt ze niet aan voor een eerlijke prijs.
Wat zou er mis zijn, met die boontjes van de Super?
Zijn ze ongezond? Kennelijk niet: biologisch voedsel is even gezond als agro-tech voedsel, zo leerde ons onlangs een baanbrekend rapport van de universiteit van Stanford. Drie jaar geleden was er ook al een baanbrekend rapport met precies dezelfde conclusie, en zeven jaar daarvoor ook, geloof ik. Men blijft maar baanbrekend concluderen: in biologisch voedsel zitten niet meer mineralen en vitaminen en vezels etc. dan in agro-tech. Kennelijk vindt men dat belangrijk. Biologisch voedsel bevat, zo blijkt ook steeds weer, minder landbouwgif en multiresistente bacteriën dan agro-tech. Kennelijk minder belangrijk. Biologisch voedsel put de bodem niet uit en is onafhankelijk van niet-hernieuwbare bronnen; dat heeft weliswaar niks met gezondheid te maken, maar wie zegt dat gezondheid het enige is waar je keuze van af mag hangen?
Wat is er mis met die onmogelijke sperzieboontjes? Afgezien van de niet-hernieuwbare kunstmest, de uitgeputte bodem en het landbouwgif (Oh ja, en het verbruik van kerosine - uw boontje wordt ingevlogen uit Egypte)?
Een tipje van de sluier werd deze week opgelicht doordat 's lands grootste Supermarkt een brief stuurde aan al zijn leveranciers: ze hadden besloten al hun leveranciers botweg 2% minder te gaan betalen voor hun producten. Pech voor de producenten. Als de prijs lager is dan in de Natuurwinkel, kun je ervan uitgaan dat er ergens iemand genaaid wordt. Een boer, een vervoerder, de kinderen die straks van dat kapot gemeste land moeten leven... En als de prijzen zo krankzinnig laag zijn als van de Super-boontjes, dan kun je er zeker van zijn dat vrijwel iedereen genaaid wordt. En hard ook.

Ik verbouw dit jaar mijn eigen sperzieboontjes. Niet alleen weet ik nu eindelijk wat het sperziebonen-seizoen is (augustus en begin september), ik bespaar geld, en krijg geen landbouwgiffen binnen. Maar die Egyptische boer dan? Die verdient nu helemaal niks aan zijn boontjes!
Nou, dan eet-ie ze toch lekker zelf op? Of hij verkoopt ze aan zijn mede-Egyptenaren. Of hij rukt ze uit en zaait tarwe in.
De Arabische Lente, laten we dat niet vergeten, begon met rellen over de voedselprijzen. Als ze daar te weinig te eten hebben, waarom moeten ze dan die krankzinnige boontjes voor ons verbouwen? Want boontjes, ook dat leer je helaas als je ze zelf verbouwt, leveren een bedroevend lage opbrengst per vierkante meter. (hier mag u een mild-bedroefde zucht achter denken)


PS. mijn spellchecker kent niet de woorden courgetteseizoen of sperziebonenseizoen, maar wel 'boerenkoolseizoen'. Seriously, WTF? Zoals dat tegenwoordig heet.

zaterdag 25 augustus 2012

Geleerde stupiditeit

Eén van de slimste mensen die ik ken is een hoogleraar in de geschiedwetenschap. Die weet waar-ie het over heeft, hoor, als-ie over de Romeinen praat. Ook over de hedendaagse politiek weet hij niet alleen alles wat je in de media kunt vinden, maar hij heeft ook contacten die hem roddels vertellen die je niet in de media te horen krijgt. Of die roddels kloppen kan ik niet controleren, natuurlijk.
Het is opvallend hoe iemand op sommige gebieden briljant kan zijn, terwijl hij op andere vlakken - of zelfs op een aspect van zijn eigen vakgebied - te stom is om voor de duvel te dansen.
Een anekdote.
Enkele jaren geleden zat ik met mijn slimme vriend in de trein, en we kwamen te spreken over mijn behoefte om te leren tuinieren.
Wat ik buitengewoon graag zou willen kunnen, vertelde ik hem, is het lezen van onkruid.
Dat moest ik hem even uitleggen, en u, lezer, misschien ook wel.
Planten hebben niet meer nodig dan zonlicht, regen en aarde. Hebben ze die drie dingen, dan groeien ze vanzelf.
Nu zijn zonlicht en regenwater tamelijk eenvoudig van samenstelling, maar met aarde is het een ander verhaal. Niet iedere grond is geschikt voor iedere groente. Sommige planten doen het beter in een zure grond, of in een vochtige grond, of een stikstof-rijke grond. Voor een tuinier is het dus belangrijk om te weten of zijn grond zuur is, of vochtig, of stikstofrijk.
Waar een behoefte is, is een markt, dus er zijn allerhande tests ontwikkeld waarmee je je grond kunt onderzoeken op bijvoorbeeld PH-waarde of stikstofgehalte. Er zijn zelfs tests om te kijken hoe het staat met een andere wezenlijke voorwaarde voor groei, onze vrienden de sporenelementen: zeldzame (mangaan, molybdeen, borium) en minder zeldzame (koper, ijzer) aardmetalen die, in minuscule hoeveelheden, onontbeerlijk zijn voor een gezonde plantengroei.
Die meer ingewikkelde tests kun je niet zelf doen, trouwens, maar dat geeft niet want er zijn bedrijven die erin gespecialiseerd zijn en die die taak graag van je overnemen.
Echter, er is een andere manier om de aard van je aarde te bepalen. Een buitengewoon laag-technologische manier, wat wil zeggen dat je het zelf zou moeten kunnen doen tegen zo goed als geen kosten.
Zoals gezegd: elke plant heeft andere groei-behoeften. Dat is ook te verwachten, want er zijn verschillende soorten grond en elke soort is een niche, waarbinnen planten geëvolueerd zijn. Als je droge, stikstofarme grond een paar miljoen jaar laat liggen, reken maar dat er dan planten zullen ontstaan die droogte en gebrek aan stikstof als eerste levensvoorwaarde hebben. Dat kunnen we met een gerust hart aan de evolutie overlaten.
Daar ligt voor ons, intelligente tweepoters, een kans. Als iedere plant zijn eigen behoefte heeft, dan zouden we de vegetatie van een stuk grond moeten kunnen 'lezen'. Door zorgvuldig te determineren welke planten er op een locatie staan, en te kijken naar de groei-voorwaarden van die planten, kunnen we de grond daar analyseren.
Dat, zo vertelde ik mijn intelligente vriend, zou ik wel willen kunnen. Naar een door onkruid overwoekerd landje kijken en aan het onkruid zien hoe het gesteld is met PH-waarde, stikstofgehalte etc. Echt gelukkig zou ik zijn als ik zelfs mangaan- en molybdeen-gehaltes zou kunnen aflezen. Het zou een studie van vele jaren vergen, maar...
"Ja," merkte mijn vriend droog op, "en dan weet je ongeveer hetzelfde als een middeleeuwse boer." Zijn toon maakte duidelijk dat hiermee het onderwerp min of meer afgesloten was.
En dat was het ook, want ik was volkomen sprakeloos.
Hoe... was... het... mo-ge-lijk?
Hoe kon een beroepshistoricus ook maar één seconde denken dat een middeleeuwse boer enig benul had van mangaan- en molybdeen-gehalte?
Middeleeeuwse boeren hadden ongetwijfeld een band met hun land die voor mij niet te doorgronden is, en een kennis van tuinieren die door duizenden jaren ervaring was geïnformeerd, maar de veronderstelling dat ze wisten dat er zoiets als molybdeen bestond gaat zonder twijfel vele, vele bruggen te ver.
Sterker nog: ik moet de eerste hedendaagse flora nog tegenkomen, waarin wordt gesproken in termen die meer specifiek zijn dan: "deze plant ziet men doorgaans op licht zure, voedselrijke grond". (Als iemand van mijn lezers weet waar ik goede informatie op dit vlak zou kunnen vinden, houd ik mij zeer aanbevolen; ik heb nog geen extensieve studie van plantkundige boeken gemaakt, dus ik kan er makkelijk een paar over het hoofd hebben gezien. Alvast bedankt!) Onkruiden lezen zou wel eens behoorlijk cutting edge kunnen wezen.

Overigens is de enormiteit van mijn geleerde vriend makkelijk te verklaren. We spraken immers niet over een puur intellectuele interesse van mij - puur intellectuele interesses, daar heeft hij wel respect voor, hoewel het planten- en dierenrijk hem niet erg boeit. Ons gesprek was op dit onderwerp aangeland via de route van klimaatverandering, peak oil en peak soil. Nu is mijn vriend niet gek, dus hij weet ook wel dat die problemen aan de horizon dagen en dat zijn kinderen zullen leven in een andere wereld dan hijzelf - een wereld waarin praktische vaardigheden belangrijker zijn dan intellectueel prestige of de zekerheid van een vast salaris. Dat is echter geen wereld waar hij graag over nadenkt. In zijn panische behoefte de discussie af te sluiten greep hij naar de eerste de beste denigrerende opmerking die hem voor de geest kwam.
Een leerzaam moment.
Als zelfs een zeer intelligent, welingelicht persoon al zo haastig zijn hoofd in het zand steekt, hoe kunnen we dan hopen dat de grote massa van onze medeburgers tijdig de ogen opent voor de problemen waarmee wij geconfronteerd worden?
Niet, dus.
Het enige wat je kunt doen is je eigen vaardigheden ontwikkelen en doorgeven, in de hoop dat er ooit iemand iets aan zal hebben. Waarvan akte.

zaterdag 16 juni 2012

De oogst van deze, uh... lente?

Mijn tuintje is minuscuul, dus als er iets eetbaars uit komt is dat een bijzondere gebeurtenis. Met een groot gevoel van tevredenheid kon ik afgelopen week de eerste doperwten serveren.
Het was niet véél, want een bende criminele merels heeft, om hen moverende redenen, de taak op zich genomen mijn erwten-bedje grondig om te spitten. Ik heb het maaltje dan ook moeten aanvullen met wat andere oogst uit mijn tuin: champignons.
Waar komen die vandaan?
Het stukje zandgrond, dat ik bewoon, is buitengewoon geschikt om huizen op te bouwen (nooit last van vocht in de kruipruimte, waarvoor dank) maar voor het verbouwen van groente is het net iets minder geschikt. Zand, armzalig zand, dat geen vocht vasthoudt en nauwelijks voedingsstoffen bevat. Daar moet organisch materiaal bij. Ik composteer zo ongeveer alles wat ik te pakken kan krijgen (behalve snijbloemen en citrusfruit. Die schijnen zo vol gifstoffen en schimmelremmers te zitten dat ze het composteerproces remmen) en daarmee zou ik het moeten kunnen redden.
Maar ieder jaar ga ik weer voor de bijl als de kinderen van de Scouting langskomen met hun mestactie.
Ten eerste heb ik zelf jarenlang op Scouting gezeten, dus ik weet hoe het is om met allerhande acties langs de deuren te moeten om geld op te halen voor weer een kamp. Of nieuwe pioniertouwen of weet ik veel wat. Daarom, uit een mengeling van empathie en nostalgie, doe ik altijd weer mee. Ik haal er ook mijn oliebollen op oudjaarsdag.
Ten tweede is mijn schrale grond zo frustrerend, dat ik het aanbod van goedkope mest, die in elke gewenste hoeveelheid aan je deur wordt afgeleverd, niet kan weerstaan. Ook niet als het uitgekauwde paardenschijt is. Paardenmest is van zichzelf al niet de meest voedselrijke mestsoort (kippenmest is het best, schapenmest moet ook heel gunstig wezen), en de mest die de scouts rondbrengen is al gebruikt om champignons op te kweken. Dus een groot deel van de voedingsstoffen is er al uit geslurpt door de paddenstoelen. Wat er overblijft bestaat, vermoed ik, voornamelijk uit koolwaterstoffen die niet veel meer doen dan het verbeteren van de grondstructuur.
Nou ja, da's ook nooit weg.
Ik houd mezelf maar voor dat ik die mest afneem vanwege de community building waar veel duurzaamheidsdenkers de mond van vol hebben.
Afijn. Champignons, zoals bekend, zijn de voorplantingsorganen van een schimmel die bestaat uit een netwerk van kriegelige draadjes onder de grond. Dat ondergrondse deel, het mycelium, kan zich in theorie kilometers ver uitstrekken; het grootste levende wezen ter wereld schijnt een mycelium te wezen in een bos ergens in het noordwesten van de VS. Een organisme zo groot als een bos - dát is nog eens succesverhaal! Maar goed, wij mensen hebben voetstappen op de maan gezet en dat doen de paddenstoelen ons dan weer niet na.
Dus de champignons in mijn tuin stellen mij, wat betreft hun herkomst, niet voor een raadsel.
Maar.
Champignons in juni? Paddenstoelen horen toch bij de herfst? Die houden toch van nat en koud?
Het was mij niet ontgaan dat deze junimaand nat en koud was. De radio meldde dat we zelfs dat we onder de temperaturen zijn gedoken van, hou je vast, eerste kerstdag. Maar ik merkte pas echt hoe ver het ging, toen ik de paddenstoelen zag opkomen. In hoeveelheden die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. (De bruikbare oogst was maar gering, trouwens - het oogsten van champignons uit eigen tuin vergt een gevoel voor timing dat aan het onmenselijke grenst. Als je ze íets te lang laat staan, worden ze sponsachtig. Als je ze te vroeg oogst, zijn ze te klein om veel plezier van te hebben en als ze ook maar een dag te lang in je kelder liggen, rotten ze weg. Of ze verschimmelen - dat heeft iets ironisch, vind ik altijd: een schimmel die verschimmelt. Weet-ie ook eens hoe het is).
Gelukkig heb ik maar weinig domme kennissen. Want domme mensen zeggen bij elke vlaag kou: zie je wel dat het meevalt, met die global warming. En dan moet je weer gaan uitleggen dat de hele wereld, gemiddeld genomen, warmer wordt maar dat dat op lokaal niveau vooral tot gevolg heeft dat het weer vreemd en onvoorspelbaar wordt. Daarom wordt wel gezegd dat de term 'Global warming' eigenlijk zou moeten worden vervangen door 'global weirding': het wereldwijd optreden van bizarre weersomstandigheden.
En bizar is het zeker, deze paddenstoelenoogst.

dinsdag 12 juni 2012

Winst op de vierkante meter

De gemeente Nijmegen, waar ik woon, is niet alleen een links maar ook een groen bolwerk. Althans, zo denkt men er hier zelf over. In werkelijkheid loopt onze gemeenteraad een ietsiepietsie achter bij andere steden; Nijmegen wil klimaatneutraal zijn in '32, Amersfoort en Utrecht twee jaar eerder - en dat zijn de steden uit mijn eerste vijf seconden googlen. Dus.
Of ook maar één van deze steden zijn ambitie gaat halen is zeer de vraag, natuurlijk, maar daar gaat het nu niet om. Ik wilde alleen maar even vertellen dat Nijmegen een groene gemeente is. Dat kan 'm zitten in heel kleine dingen, en één van die kleine dingen ligt bij mij voor de deur. Het is een boomspiegel.
Voor wie niet weet wat een boomspiegel is: dat is die uitsparing in het trottoir, dat treurige stukje zand dat om een boom heen ligt en dat een paar keer per jaar door de gemeente wordt doodgeschoffeld. Groen onderhouden is veel werk, en een stukje zand dood houden is aanzienlijk goedkoper. Dat is jammer, want groen is beter. Als de boomspiegels vol planten zouden staan, dan zouden die plantjes gratis en voor niks CO2 uit de lucht vangen. En fijnstof. En ze zouden de waterhuishouding van de bodem verbeteren. Bovendien voelen mensen zich, dat is inmiddels ruimschoots aangetoond, gelukkiger in een omgeving met natuurlijke elementen.
Plantjes tegen depressie, een beetje zoals op sommige stations klassieke muziek wordt opgezet om de junks buiten te jagen. Groen geeft ook rust en verlaagt de agressie, dus met een beetje geluk scheelt het ook nog eens in de bushokjes.
Maar groen kost geld, en de gemeente gaat dat niet betalen want die heeft al haar geld nodig om mooie glanzende klimaatneutrale bussen op de weg te houden.
Goede raad bleek goedkoop.
Wie wil kan een boomspiegel claimen en er een mini-tuintje beginnen. Win-win! Ik een gratis tuintje, de gemeente gratis groen.
Dus. Ik heb een gratis vierkante meter om mee te doen wat ik wil (afgezien van het omhakken of anderszins beschadigen van de grote dikke boom in het midden, wat nogal een forse beperking is). Wat ga ik daar eens mee doen?
Ik ben nog steeds op rooftocht, dus uit deze gemeentegrond wil ik winst halen. Winst voor mij, uit de zak van mijn stadgenoten. Mwoehahaha! Hoe pak ik dat aan?
Het is niet eenvoudig. In de eerste plaats is de grond zo verarmd (je laat er onkruid groeien, schoffelt het omver en gooit het stoffelijk overschot in een wagentje van de gemeentelijke reiniging. Herhaal vijftig jaar lang. En voila: Peak Soil in het klein) dat er alleen de meest geharde onkruidjes groeien. Dat is te verhelpen natuurlijk, je kunt er compost op gooien, maar het is de bedoeling dat ik uit deze vierkante meter winst haal, niet dat ik er mijn kostbare compost heen breng.
Trouwens: ik hoef niet te mesten. Anderen mesten voor mij: de hondenbezitters uit de buurt. Boomspiegels hebben op hondenbezitters een magische aantrekkingskracht. Ze zijn minder ver lopen dan een hondentoilet en niemand klaagt als een hond in een boomspiegel schijt. Ja, ik wel natuurlijk, maar de grond is niet van mij dus ik heb niet echt een poot om op te staan.
Een aanvoer van voedingsstoffen is dus gegarandeerd. Het enige wat ik hoef te doen is zorgen dat ze niet bij de eerste regenbui het riool in spoelen. Het eerste jaar bestonden mijn liefhebbende zorgen uit het rucksichtlos laten staan van al het onkruid. Dat houdt meststoffen vast en bovendien maakt het met zijn wortels de keiharde grond wat losser. Ik schoffel af en toe wat onkruid om en laat het liggen als mulch voor het andere onkruid.
Dit jaar zet ik er wat eigen plantjes in (okee, ik zal eerlijk zijn: dat heb ik vorig jaar ook al geprobeerd, maar ze hebben het niet overleefd op een schrale stokroos na).
Er zijn mensen die mooie plantjes uit het tuincentrum halen en zo hun boomspiegel opfleuren. Die mensen zijn niet, zoals ik, op rooftocht. Ik zet er gratis plantjes in, die ik over heb uit mijn achtertuin. Maagdenpalm, om precies te zijn. Een fijn woekerende bodembedekker (er is een reden dat ik maagdenpalm over heb in grote hoeveelheden) die hetzelfde werk doet als het onkruid, maar dan met mooie paarse bloemetjes.
Nu heb ik dus mooie paarse bloemetjes.
Dat noem ik nog geen winst. Ik wil er iets uit kunnen halen, uit mijn vierkante meter. De maagdenpalm staat er voornamelijk om aan iedereen te laten zien: deze vierkante meter wordt wel degelijk beheerd mensen, kijk maar, bloemetjes, mooi he? Zo heeft niemand reden om te klagen over het opschietende onkruid, terwijl ik mij beraad op de volgende stap.
Ik ken een straat in Nijmegen waar een ondernemende geest in iedere boomspiegel twee of drie aardappelplanten heeft neergezet. Geinig, maar eigenlijk moet je rond die plantjes de grond iets ophogen, anders worden je aardappels groen en daar krijg je buikpijn van. Voor ophogen ligt er in zo'n boomspiegel niet genoeg zand. En, belangrijker, hoe oogst je zo'n aardappel?
Uit de grond halen, allicht, maar die grond, daar is iets mee. Die is bemest door mijn vriendelijke, hondenbezittende buurtgenoten. En hondenpoep bestaat voor een groot deel uit bacteriën (ongeveer een derde, als ik goed ben ingelicht) met als smaakmakers nog een mespuntje parasieten.
Dat wil ik allemaal niet aan mijn aardappels hebben hangen als ik ze binnenhaal. Over veldsla héb ik het niet eens.
Een tijdje heb ik gedacht: ik zet er smeerwortel in (over die wonderplant zal ik het later nog eens hebben). Maar daarvan zou ik alleen de hoogste bladeren kunnen gebruiken, en dan nog zou ik moeten hopen dat de beste vriend van de mens ze niet heeft ondergepist.
De hoogte moet ik in!
Dus morgen gaat er een kiwiplantje de grond in. Is gratis, want een stekje uit eigen tuin, dus als er over ene paar jaar kiwi's aan komen hoef ik niet te vrezen dat onverlaten mijn kiwi's oogsten. Elke kiwi die ik zelf te pakken krijg, is pure winst.
Een andere mogelijkheid: bamboe. Bamboestaken om bijvoorbeeld bonen op te binden, daarvan heb je er niet snel te veel. Ik heb er zelfs te weinig. Een eigen bamboeplantage voor de deur, dat lijkt me wel wat!
Nu nog op zoek naar iemand die een stekje bamboe over heeft. Want ik ga er geen geld in steken; je bent op rooftocht of niet.

woensdag 9 mei 2012

De ruwe tanden van de lente

Duurzaamheid – het wil maar geen trend worden. Een van de redenen daarvoor is, vermoed ik, gelegen in het feit dat het woord op teveel verschillende vlaggetjes staat. Vlaggetjes waarachter heel verschillende colonnes marcheren, op heel verschillende marsmuziek en in heel verschillende uniformen, en uiteindelijk zelfs in heel verschillende richtingen.
Daar is bijvoorbeeld de colonne der doemdenkers, een luidruchtige phalanx die niet aflaat ons te wijzen op de aanstaande gevaren van Peak Oil, klimaatverandering, de schier leeggeviste oceanen met hun dead zones en plastic-afval-eilanden, de dreigende tekorten aan zoet water en zeldzame aardmetalen en – nou ja, elke doemdenker heeft zo zijn eigen doemscenario (de in de jaren '80 zo populaire kernoorlog maakt in deze kringen een verrassende comeback, meestal als 'uit de hand gelopen conflict tussen India en China om drinkwater'. Dit scenario lijkt overigens te veronderstellen dat niet-blanken op het suicidale af irrationeel zijn en niet in aanraking zouden mogen komen met gevaarlijke technologie. Er bevindt zich een kleine maar buitengewoon onfrisse brigade in de colonne der doemdenkers.)
In een aan de doemdenkers radicaal tegengestelde richting marcheren de 'Bright Greens', die liever nadenken over oplossingen dan over problemen. Die oplossingen moeten doorgaans komen van de technologie: verbeterde zonnecellen, elektrische auto's, gentechnologie, bio-engineering en natuurlijk de panacee die al decennia lang bijna binnen handbereik is: de koude kernfusie. Ook wordt er veel verwacht van computers: Smart Dit en Smart Dat zullen het verschil moeten maken.
De enige min of meer groene partij die ons land arm is, heeft zich stevig midden in dit kamp gepositioneerd. Vanuit electoraal standpunt begrijpelijk: de boodschap 'we gaan duurzaam groeien' zal ongetwijfeld meer stemmen opleveren dan 'we gaan goedschiks of kwaadschiks krimpen'.
Kennelijk leest deze partij, die in haar geschiedenis altijd geïnspireerd is geweest door het Rome-rapport 'Grenzen aan de Groei', datzelfde rapport nu als 'kuch-kuch, kuch, kuch, Groei'.
Dan is er nog de colonne van de hippe duurzamen, voor wie de bakfiets meer een lifestyle-keuze dan een serieus vervoermiddel is.
En er is de goed bewapende troepenmacht van het bedrijfsleven, die met steeds luider tromgeroffel haar eigen duurzaamheid verkondigt. Doorgaans bestaan de wapens van deze colonne voornamelijk uit trommels, versterkers en megafoons. Het woord duurzaamheid ligt vooraan in hun blaffende bek, maar als het op bijten aankomt geven ze helaas zelden thuis.
Een mooi voorbeeld van de bij deze groep populaire strategie 'greenwashing' zag ik ooit op een pak melk. Daar stond te lezen: 'Dit is een duurzame verpakking. Je kunt hem recyclen door hem in de open haard te gooien en zo je huis te verwarmen.'
Je kunt maar lef hebben, als melkpakkenfabrikant.
(Voor wie het zich afvraagt: de binnenkant van dit melkpak had gewoon de gebruikelijke plastic coating)
Als er zoveel verschillende stemmen klinken, kan het niet anders of er dient zich een volgende colonne aan: die der verwarden. Gelieve 'verward' hier te beschouwen als een eufemisme. Wie wel eens iemand heeft horen beweren: 'Ik leef heel duurzaam want mijn auto is al twintig jaar oud', die weet wat ik bedoel.
Al deze colonnes bestaan weer uit brigades en detachementen, voorposten en achterhoedes die het hartgrondig met elkaar oneens zijn. Ze hebben ook allemaal argumenten, de een wat overtuigender dan de ander, maar toch: het is een hels karwei om uit te zoeken wie er gelijk heeft.
Een groep waar ik mij in elk geval niet toe zal rekenen is de colonne die het einde der beschaving stiekem als een zegen beschouwt. Dat zijn de mensen die eigenlijk toch al vonden dat het niet helemaal de goede kant op ging met dat hele beschavingsgedoe, en die alle eerder genoemde problemen (peak oil, klimaat, oceanen etcetera ad nauseam) voornamelijk beschouwen als de krachtige hand van Moeder Natuur, die ons vastgrijpt om ons eens te meer aan haar weelderige boezem te drukken, en nu voorgoed.
Deze groep gaat er stiekem van uit dat - als wij maar eenmaal leven volgens het Ritme van de Seizoenen - en als wij nemen wat de Aarde ons geeft, in plaats van te nemen wat we nodig denken te hebben – dat wij dan vanzelf gelukkiger en gezonder zullen worden.
Op het thema 'gezondheid' zal ik voorlopig niet ingaan, maar ik kan nu alvast wel zeggen dat deze leiden behoorlijk ongelijk hebben.
Over het Ritme van de Seizoenen kan ik kort zijn: dat deugt niet. In de winter en de vroege lente is er gewoon nergens vers voedsel te vinden. Ja, in Kenia, en Nieuw Zeeland en dat soort locaties, daar vind je sperzieboontjes en tomaten en paprika's en courgettes en, en, en je kunt het zo gek niet verzinnen. Dat ligt dus ook allemaal in de Nederlandse supermarkten (zolang het vliegverkeer nog vliegt).
Maar als we van Nederlandse verswaren afhankelijk zouden zijn (bijvoorbeeld om dat de kerosine op begon te raken), dan zou het van januari (laatste veldsla) tot april (eerste spinazie) armoe troef zijn. Één en al pompoenen, bonen en aardappelen. Kan heel lekker zijn, maar eind maart, begin april is het allemaal niet meer op zijn best. Of domweg op.
Dan komt daar de nieuwe oogst!
Waar je ook niet bepaald mollig van wordt.
Want wat heb ik de afgelopen twee weken uit mijn tuintje kunnen halen: spinazie en rabarber.
Verser dan ik mijn spinazie vandaag gegeten heb, kun je het nergens krijgen.
In totaal heb ik van een halve vierkante meter (was eerst een hele, maar muizen hebben zich aan mijn jonge aanplant vergrepen) ruim anderhalve kilo gehaald. Niet onaardig, maar als alles wat er tussen jou en een zekere hongerdood instaat 15 ons spinazie is...
De rabarber gaat daar nog ruim overheen, natuurlijk, maar daar moet je van houden. Doen mijn kinderen niet.
Ik wel, al is er één ding dat mij tegenstaat aan rabarber: je voelt het zo aan je tanden, als je ervan eet. Ze gaan ruw aanvoelen, als je er met je tong langs gaat. Alsof het bovenste laagje glazuur van je tanden is weggebeten.
En dat is het ook.
De boosdoener is oxaalzuur, een licht giftig stofje dat niet alleen in rabarber zit, maar ook in... spinazie! Zo merkte ik vandaag.
Kennelijk is oxaalzuur een stofje dat buitengewoon goed past bij de vroege lente. Nou lekker dan. Met je Ritme der Seizoenen.
Zolang je er niet teveel van eet kan het goedje overigens geen kwaad, hoor. Je moet er heel wat van naar binnen werken om last te krijgen van de laxerende werking.
Degenen die zeggen: “maar ik krijg er ook veel van binnen, want ik leef keurig volgens het Ritme der Seizoenen” hoeven ook nog niet in paniek te raken; oxaalzuur is heel makkelijk te neutraliseren. Je voegt gewoon een theelepeltje zuiver krijt toe aan je pannetje met groente. Zuiver krijt haal je bij de betere natuurdrogist – niet zomaar een handje vol schoolbordkrijt nemen! Daar zitten doorgaans niet alleen kleurstoffen in, maar ook allerlei goedjes die moeten voorkomen dat het krijtje teveel stof afgeeft. Dat wil je allemaal niet in je eten.
Van oxaalzuur gaat de boel gemeen schuimen, dat ziet er onaangenaam chemisch uit, maar de gedachte 'dit hadden ook mijn tanden kunnen zijn' maakt veel goed.
Soms moet Moeder Natuur gewoon een chemische schop onder haar kont hebben.

dinsdag 1 mei 2012

Ongezonde groei is ook groei. Nietwaar?

Is de mens een kind van moeder natuur? Of haar vijand? Geen van beide, zou ik zeggen. Nog afgezien van de vraag of moeder natuur wel bestaat, lijken allebei de beweringen een grote misrekening wat schaal betreft. De natuur is, laten we zeggen, vrij groot (hoe je haar ook definieert. In de meest ruime definitie heeft ze een doorsnede van 46 miljard lichtjaar, in de meest nauwe definitie heeft ze nog altijd een gewicht van zo'n 1110 miljard ton.) De mensheid is, in verhouding, best wel klein. Te zeggen dat de mens een vijand is van de natuur, of juist een kind van de natuur, een slaaf of heerser of wat dan ook van de natuur, is vergelijkbaar met de bewering dat één enkele eekhoorn de vijand (vriend, slaaf, meester etc.) zou kunnen zijn van een heel bos. Je zou kunnen tegenwerpen dat de mens, door zijn grote verstandelijke vermogens, een bijzondere plaats inneemt binnen de natuur. Dat zou te vergelijken zijn met diezelfde eekhoorn, die vindt dat hij een bijzondere plaats inneemt in het bos omdat hij zo buitengewoon goed is in het verzamelen van nootjes. Niet alleen zijn wij zo veel kleiner dan de natuur dat we tegen haar geen kans zouden maken, maar we zijn ook een deel van de natuur, zoals een eekhoorn deel is van zijn bos. Een van de nadelen van het veronderstellen van een anthropomorfe, dat wil zeggen mensvormige natuur is dat het deze verhouding onder het tapijt veegt. Als we spreken over 'moeder natuur', of als we aan de natuur wijsheid, voorliefdes of bedoelingen toeschrijven, maken we haar menselijk en daarmee klein. Zelfs wie zegt: 'Moeder natuur is zo groot en zo oppermachtig, dat ze ons zou kunnen vernietigen door het alleen maar te willen,' zelfs wie dát zegt maakt zich schuldig aan hoogmoed. Te denken dat de natuur al dan niet iets van ons zou willen! Het zal de natuur volkomen worst wezen wat wij uitspoken. Wat wij doen is nooit tegen de natuur. Ten eerste omdat 'de natuur' niet bestaat en ten tweede omdat alles wij, met alles wat we doen, deel uitmaken van de natuur. Een chimpansee die een stokje gebruikt om naar mieren te zoeken, die doet niets onnatuurlijks. Een mens die een deeltjesversneller gebruikt om naar Higgs-bosonen te zoeken ook niet. Als alles wat wij doen dan volkomen natuurlijk is, waarom zouden we dan nog een verschil maken tussen biologische en gewone landbouw? Als het vervaardigen en gebruiken van kunstmest of landbouwgif een natuurlijk proces is, wat is er dan op tegen? Die vraag is makkelijk te beantwoorden. Voor het maken van kunstmest is fosfaat nodig. Dat is een eindige grondstof die al aardig opraakt. Bovendien bevat kunstmest naast fosfor vooral stikstof en kalium. Elke plant heeft die drie stoffen nodig in stevige hoeveelheden, en daarom groeien planten zo welig als je er kunstmest op gooit. Maar, helaas helaas, planten hebben méér nodig. Bijvoorbeeld minuscule hoeveelheden ijzer, zink, koper en ook enkele exotischer bewoners van het Periodiek Systeem zoals mangaan, borium en molybdeen. De gevolgen laten zich raden. Met kunstmest sporen we de planten aan te groeien. Daarvoor moeten ze allerlei sporenelementen uit de bodem wegslurpen. Het volgende jaar gooien we er weer kunstmest op, zodat er weer nieuwe voorraden fosfor, kalium en stikstof beschikbaar komen. Maar de voorraden mangaan en zink, die al uitgeput zijn door de weelderige groei van het vorige jaar, hebben we niet aangevuld. Na een paar jaar is gezonde plantengroei onmogelijk geworden. Geeft niets. Ongezonde groei is ook groei, nietwaar? Je kostbare plantjes zijn wel wat minder gezond, en dus bevattelijker voor ziekten en plaagdieren, maar goed, daartegen zijn allerlei handige gifstoffen in de handel. Heel fijn. Het eind van het liedje is dat je grond overhoudt die volledig ontdaan is van de belangrijke sporenelementen (koper, molybdeen etc.), maar die er wel iets voor in de plaats heeft gekregen: restanten van allerhande soorten vergif. Doe dat op zoveel mogelijk landbouwgronden over de hele wereld, en je bent hard op weg naar een voedselcrisis. Liefhebbers van moeder natuur zijn geneigd het menselijk ingrijpen in het algemeen, en de technologie in het bijzonder, de schuld te geven van deze heilloze cyclus. Daar tegenover staat dat we de cyclus pas zijn gaan begrijpen toen we, dankzij ons technologisch vernuft, het bestaan van mangaan en molybdeen achterhaald hadden en de rol van deze en alle andere sporenelementen (ijzer, zink, magnesium etc.) begonnen te doorgronden. Hoera voor de technologie dus: zij heeft ons geleerd dat de methoden van de gangbare landbouw radicaal overboord dienen te worden gegooid. Niet omdat ze onnatuurlijk zijn, maar omdat ze buitengewoon onverstandig zijn. Hoe staat het inmiddels met de technologische ingreep in mijn eigen tuin? Het is maar een zeer eenvoudig stukje technologie, de muizenval, maar het werkt naar behoren. Na een half uur was de stand al één nul in het nadeel van de muizen. Dat tempo hielden we echter niet vast: inmiddels staat het vier nul voor mij. De muizen laten zich niet meer zien. Wat niet wil zeggen dat ze er niet zijn: ik heb het sterke vermoeden dat ze inmiddels aan de spruiten van de koolrabi zijn begonnen. De deugnieten. Gelukkig was ik de koolrabi aan het voorplanten in potjes, dus die kan ik mooi in veiligheid brengen terwijl ik nog een paar knagers naar de eeuwige kaasvelden help. Dat laatste moet overigens soms handmatig gebeuren: in een muizenval, zo heb ik tot mijn afschuw ontdekt, gaat een muis niet in één keer dood. Van de week vond ik een val met een levend, en tamelijk wanhopig, muisje erin. Ik schoof de val met prooi en al achter een plank. Met dat soort nare toestanden hoefde ik niet geconfronteerd te worden, dank je hartelijk. Muizen zijn niet erg stressbestendig, en ik wist dat het diertje redelijk snel een hartaanval zou krijgen en dan zou het aan alle aardse zorgen ontstegen zijn. Laat moeder natuur het vuile werk maar doen! Al snel keerde ik echter op mijn schreden terug. Ik had die toestanden toch zelf veroorzaakt? Nou dan! Dan was het ook mijn taak om te zorgen dat ze niet langer zouden duren dan strikt noodzakelijk. Ik pakte het dichtstbijzijnde tuininstrument en met een flinke tik was het diertje uit zijn lijden verlost. Een klein beetje misselijk was ik er wel van. Maar men dient verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen handelen. Volgende week een vrolijker onderwerp: de eerste oogst!

maandag 16 april 2012

Bedankt, moeder!

De natuur, daar heb ik een hekel aan. Mensen die goedkeurend over 'de natuur' spreken, zijn in principe niet te vertrouwen. De meesten onder hen hebben geen kwade bedoelingen, integendeel zelfs, maar het zijn slordige denkers. En slordig denken kan net zo schadelijk zijn als kwade trouw.
Want was is de natuur?
Nogal makkelijk, zou je zeggen: het geheel aan bloemen en bomen en dieren en zo.
En stenen? Zijn stenen ook natuur?
Ja hoor, alles wat niet door mensen gemaakt is, is natuur. Dus stenen ook.
En een dood dier? Laten we zeggen, een konijn dat aan myxomatose is overleden? Pijnlijk maar waar: ook dat is de natuur.
En een konijn dat door een mens is doodgeschoten? Dat is een lijkje, door menselijk handelen tot stand gekomen. Misschien vindt u dat al geen natuur meer. Misschien nog wel, maar dan komen de volgende vragen: een gevild konijn? Een gebraden konijn? Een opgezet konijn? Een opgezet konijn met een electromotortje erin, dat met zijn pootjes kan bewegen en met zijn kopje draaien? Een konijnenskeletje in het natuurhistorisch museum? Een met fluorescerende verf bespoten konijnenskeletje in het museum voor moderne kunst?
Waarschijnlijk heeft u ergens gedurende deze opsomming gezegd: nee, dát is geen natuur meer. Daar speelt het menselijk ingrijpen een te grote rol.
En dán pas omt de kernvraag. Behoort de mens tot de natuur?
Iedere mens is gemaakt door twee andere mensen. Minstens. Soms is de hulp van een medisch team nodig, wat de leuke vraag oplevert: zijn reageerbuisbaby's minder natuurlijk dan andere baby's?
Deze vraag bevestigend beantwoorden zou harteloos wezen. Toch voelen we dat er een verschil is; als we spreken van een verwekking 'langs de natuurlijke weg' doelen we niet op een IVF-behandeling.
Dit verschil lijkt veroorzaakt daar de mate van technologie die nodig is geweest om iets te maken. Hoe meer technologie, hoe onnatuurlijker.
Deze vuistregel doet ook recht aan de intuïtie dat de moderne maatschappij minder natuurlijk is dan die van honderd jaar geleden – die op haar beurt weer minder natuurlijk was dan die van tweehonderd jaar geleden.
Laten we haar dus maar volgen, tot we een betere hebben.
Let wel: dit is een idee over de mate van natuurlijkheid die we ergens aan kunnen toekennen. Dat is nog iets anders dan 'de natuur'.
Wie boeken leest (of gesprekken voert) over biologische landbouwmethoden komt haar vaak tegen, 'de natuur'. Soms zelfs in de persoon van 'moeder natuur'.
De bio-boer werkt samen met de natuur, namelijk. Hij leert zelfs luisteren naar de natuur.
Het ergste wat ik op dit gebied heb gezien, is de bewering dat 'de natuur een eeuwenoude wijsheid bezit'.
Zo zout eet je het maar zelden. Nog afgezien van het feit dat 'eeuwenoud' een beetje een understatement is - dit universum heeft er al miljarden jaren van natuurlijke processen op zitten - wordt de natuur hier zonder meer voorgesteld als een menselijke figuur.
Het al dan niet bezitten van wijsheid is een zuiver menselijke eigenschap.
Voor wijsheid heb je hersens nodig, een hoofd om die hersens in te bewaren en een lichaam om dat hoofd te dragen. Dat heeft de natuur allemaal niet.
Ja, hèhè, inderdaad: de natuur heeft alle lichamen en hoofden en hersens die er bestaan, want die maken allemaal deel uit van de natuurlijke wereld. Maar er is nergens een stel hersens waarvan we kunnen zeggen: deze hersens zijn de hersens van Moeder Natuur.
Er zijn mensen die deze gedachtengang geborneerd vinden. Die zeggen: er zijn ook onstoffelijke wezens, goden, geesten, noem het hoe je het noemen wilt.
Het staat eenieder vrij om te geloven wat hij of zij wil, maar ik wil er graag op wijzen dat dergelijke ideeën meestal schadelijk zijn voor degene die erin gelooft en zijn of haar verhouding tot de wereld.
In het geval van de natuur leidt de gadachte dat zij een min of meer mensvormige figuur zou zijn tot een schromelijk overschat mensbeeld. Zijn wij kinderen van moeder aarde? Dat zouden we wel willen. We zijn heel kleine aapjes op een grote ronde steenklomp en er is geen moeder natuur die ons kan helpen of naar wie we kunnen leren luisteren.
Wie begint biologisch te tuinieren krijgt vaak te horen dat hij zoveel mogelijk 'natuur' op zijn lapje grond moet weten te lokken. De natuur zal ons namelijk helpen plaagdieren en ziektes onder controle te houden.
Helaas is 'de natuur' daarin helemaal niet geïnteresseerd.
Een voorbeeld: ik hoopte de slakken en andere ongewenste kruipers in mijn tuin dwars te zitten door een notoire slakkenvreter naar binnen te lokken. Ik maakte een egelhuisje van oude bakstenen en stoeptegels. Ik bedekte het geheel met een dikke laag aarde zodat het 's winters niet te koud zou worden en 's zomers niet te droog. de aarde werd op haar laats gehouden door een rand van oude dakpannen – een reeks randen, want het was een heuveltje en dat betekent: terrasbouw! In de ruimtes tussen de dakpannen plantte ik aardbeien.
Het zag er heel idyllisch uit - en het werkte als een tierelier! Binnen een week zag ik een egel die grote hoeveelheden nestmateriaal naar zijn nieuwe holletje sleepte.
Ik gaf, in gedachten, moeder natuur een high-five en de rest van die zomer gooide ik alle slakken, die ik vond, bij de egel naar binnen. Om zijn huisje extra aanlokkelijk te maken: gratis eten thuisbezorgd!
Het enige resultaat was dat alles, wat ik dat jaar geplant heb, is opgevreten door slakken. De egel had zich bedacht en is vertrokken, kennelijk. De toegang van zijn huisje ligt inmiddels vol zand; kennelijk is er daarbinnen iets ingestort.
Er wonen nog wel diertjes in de egelburcht: een familie muizen heeft er haar intrek genomen. Zij eten mijn spinazie op.
Bedankt, moeder natuur!
Nu kan ik twee dingen doen: ik kan vertrouwen op moeder natuur en wachten tot er vanzelf een uil gaat nestelen in mijn lijsterbes, of ik kan de technologische weg bewandelen en muizenvallen kopen.
Nou, ik weet het wel.
Ik bewandel een tussenweg. Ik herbouw de egelburcht – egels eten ook muizen, tenslotte – en probeer hem nog wat aantrekkelijker te maken. Ik ben en lui mens namelijk, en de gedachte dat iemand anders mijn oorlog tegen de cohorten van slak en muis voor me voert - die gedachte is zó onweerstaanbaar aantrekkelijk, dat ik ervoor zal werken tot het zweet me vn de schiuders gutst.
En totdat de nieuwe burcht verrijst: tjak!