Posts tonen met het label wel goed gelukt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wel goed gelukt. Alle posts tonen

dinsdag 22 november 2016

Wat men met een kardoen kan doen

Op het tuintjes-complex waar ik mijn postzegeltje (40m2) duurzame voedselproductie beoefen, teelt iedereen biologisch. Dat is daar verplicht. In heel veel van die biologische tuintjes zie je een prachtige, rijzige plant staan met grijsgroen, diep geveerd blad. In de zomer komen er mooie paarse bloemen aan, die zeer geliefd zijn bij bijen en hommels.
Dat is de kardoen.
De kardoen is een zg. Vergeten Groente en vermoedelijk is dat de reden dat je 'm zo veel ziet. De mensen die biologische tuintjes hebben, zijn vaak ook de mensen die de slowfood-beweging een warm hart toedragen, die voorstander zijn van seizoensgroente en biodiversiteit en niet zelden zien zij zich ook als mede-beheerders van de genenbank die ons voedsel produceert. Vergeten groente? Planten die hap!
Zelf ben ik ook zo iemand, dus ik heb 'm ook staan. Altijd als ik op mijn tuintje kom, geeft hij me een warm gevoel. Wat een mooie plant! En wij ontrukken, met z'n allen, deze fraaie groente toch maar mooi aan de vergetelheid!
Maar na een paar jaar gaat het toch knagen: ik hebt een grote groente staan en ik knaag er niet aan.
Hoe eet je dit ding?
Experimenteren maar!
Op het web zijn wel wat kardoen-recepten te vinden, maar die zijn lang niet allemaal toegesneden op een vegetarische levensstijl, of moeilijk te maken, of niet zo lekker.
Daarom hieronder een paar makkelijke, snelle eigen recepten.
Maar eerst: hoe oogst je een kardoen?
De vraag hoe laat zich eigenlijk vooral vertalen naar de vraag: wanneer?
Welnu, de kardoen is een wintergroente. Je hoort wel eens dat je kardoenen moet bleken, maar dat is helemaal niet nodig. Wat je moet doen is: oogsten van november tot maart. In die periode heeft-ie een heerlijke artisjokken-smaak, wat niet zo vreemd is want hij is familie van de artisjok. Zéér naaste familie. Eigenlijk verdenk ik hem ervan gewoon een artisjok te zijn.
In de zomer smaakt het ding ook naar artisjok, maar dat proef je nauwelijks want dan is hij nogal bitter.
Dus: hele zomer laten staan, energie laten verzamelen, aan het eind van de zomer al het blad afsnijden of gewoon wachten tot het afsterft, en dan in de winter de nieuwe groei eten. Je trekt of snijdt er een paar mooie grote bladeren af, liefst de licht-grijze want die zijn het jongst en dus het smakelijkst.
Binnen twee dagen opeten, want het spul wordt snel slap en bruin.
Maar hoe eet je dan een kardoen?
Wat je eet zijn de blad-ribben. De rest van het blad gaat op de composthoop, of gewoon in de tuin als mulch, want de kardoen is niet alleen een groente en een hommelmagneet maar ook nog een bio-accumulator, dat wil zeggen een diep wortelende plant die voedingsstoffen uit de grond naar boven haalt en opslaat in bijvoorbeeld zijn blad. Blad op de grond = goed voor de bodem.
Je snijdt de zijkant van de bladribben af, daar zitten vaak zachte stekels aan want de kardoen is familie van de distel. Meer naar boven toe houden de stekels op en begint het eigenlijke blad. Dat snijd je dus ook weg. Nu houd je een dikke, bleekselderij-achtige stengel over. Die wordt heel snel bruin, wat geen invloed heeft op de smaak maar als je geen vies-bruin kleurtje wilt, leg je de stengel in water waaraan wat citroensap of azijn is toegevoegd.
De bladribbe heeft lange, vezelige draden waar je geen last van hebt als je 'm in heel dunne plakjes snijdt, pak 'm beet een halve centimeter of minder. Ikzelf snijd meestal de bladribbe eerst over de lengte in drie of vier slierten, en die slierten gaan dan in de hierboven genoemde dunne plakjes. Dan houd je dus heel kleine stukjes over.

Met die kleine stukjes maken wij vervolgens:
1. risotto met wortel en kardoen
ingrediënten:
250gr risottorijst
3 bladeren kardoen
1 kleine winterwortel
1 ui, fijn gesneden
1 teentje knoflook, zeer fijn gesneden
1 l bouillon
scheut witte wijn
tijm en peper naar smaak
100 gr parmezaanse kaas, vers geraspt
Olijfolie

bereiding:
snijd de kardoen in kleine stukjes, zoals hierboven beschreven. Ga ik niet opnieuw uitleggen.
Snijd de wortel over de lengte in vieren, daarna in dunne plakken.
Fruit de ui in de olijfolie, voeg vrij snel de wortel en de helft van de tijm toe.
Bak al roerend tot de wortel iets zachter begint te worden.
Voeg knoflook en kardoen toe, bak nog een minuut en voeg de risottorijst toe.
Als de rijstkorrels min of meer warm zijn, voeg je eerst de witte wijn toe. Blijf roeren tot de wijn geheel is opgenomen/ verdampt. Voeg dan, lepel voor lepel, de bouillon toe. Steeds wachten tot de bouillon is opgenomen voor je een nieuwe lepel toevoegt en blijven roeren, anders bakt de zaak aan.
Als de rijst min of meer gaar is voeg je de rest van de tijm, de peper en de parmezaanse kaas toe. Nog even goed doorroeren en smakelijk eten!

2. Penne met kardoen-roomsaus
ingrediënten:
300 gr. penne (of andere pasta als dat je voorkeur heeft)
4 bladen kardoen
250ml bouillon
1 ui, fijn gesneden
2 teentjes knoflook, zeer fijn gesneden
125ml creme fraiche
2 eetlepels peterselie (of, als je net als ik te lui bent om steeds weer peterselie te planten en dus liever vaste planten gebruikt: loof van de Aardkastanje (Bunium bulbocastanum))
olijfolie
Zout en peper naar smaak
100 gr parmezaanse kaas, in snippers

Snijd de kardoen in kleine stukjes als hierboven beschreven.
Breng de bouillon aan de kook en doe de kardoen hierin.
Kook de pasta zoals op de verpakking beschreven staat.
Fruit ui en knoflook. Als de ui glazig wordt, schep je met een schuimspaan de kardoen uit de bouillon en voegt hem toe aan de ui en knoflook.
Voeg de creme fraiche toe en draai het vuur zacht. Als de saus te droog wordt, voeg je wat van het kookvocht van de kardoen toe.
Als de penne gaar zijn, giet je ze af. Dan roer je de saus en de peterselie erdoor, evenals zout en peper. Op borden scheppen en bestrooien met snippers parmezaanse kaas.

Zoals u ziet, twee Italiaans aandoende recepten. De kardoen is afkomstig uit Italië, vandaar.
Succes ermee!

zaterdag 2 februari 2013

Het Hongergat

Voordat het een manager-codewoord was voor 'probleem', of meer specifiek voor 'toestand op de werkvloer waar jij, als werknemer, een hekel aan hebt maar die ik, als manager, toch ga veroorzaken', betekende het woord 'uitdaging' dat iemand je opriep tot een gevecht of een wedstrijd.
Af en toe is het, helaas, nodig dit soort dingen hardop uit te spreken als we onze geestelijke gezondheid willen bewaren in een samenleving waar het managment-wezen zich, als koudvuur, een weg naar binnen vreet.
Dus als ik vandaag schrijf over een uitdaging, beste lezer, hoop ik dat u begrijpt dat ik het niet wil hebben oven een probleem waarmee ik mezelf geconfronteerd zie, en ook niet over een probleem waarmee ik u confronteer; ik heb het over een vriendschappelijk wedstrijdje dat ik met u wil aangaan.
Een wedstrijdje dat gaat over eten van het seizoen - dat vind ik nu eenmaal interessant.
Het geval wil namelijk dat wij het Hongergat beginnen te naderen. Ik heb geen idee of dit een bona fide Nederlands woord is, overigens; het is een vertaling van het Engelse 'hunger gap', waarmee die periode van het jaar wordt aangeduid dat er geen voedselgewassen van het veld komen en de voorraden van het vorige jaar beginnen op te raken. We zijn er nog niet helemaal, strikt gesproken: gisteren heb ik nog een aardige hoeveelheid prei gestoken, in de voortuin staat nog een restje veldsla en in volkstuintjes kunnen we hier en daar nog boeren- en spruitkool zien staan.
Overigens: wie zich afvraagt hoe gehate groenten als spruitjes en spinazie zich zo diep in het Nederlandse menu hebben kunnen nestelen, kan hierin het antwoord vinden; spruitjes zijn, in ons klimaat, oogstbaar tot in maart, en spinazie is te plukken vanaf april. De enige reden dat deze twee groenten in veel huishoudens tot het verleden zijn gaan behoren is dat we inmiddels krankzinnige hoeveelheden energie steken in het consumeren van voedsel dat geproduceerd is op een ander halfrond, of dichterbij maar in een warmgestookte kas.
Wie duurzaam wil eten, laat echter de verse kas-tomaten en de Keniaanse sperzieboontjes links liggen. Die zit dus vast aan de traditionele, 'vieze'groenten.
Om heel eerlijk te zijn: van spinazie weet ik nog wel het een en ander te maken, maar als het op spruitjes aankomt gooi ook ik de handdoek al snel ik de ring.
Gelukkig zijn er ook nog de traditionele bewaargroenten: groenten die, ook buiten het vriesvak, lang houdbaar zijn en tot ver in het voorjaar gegeten kunnen worden met een minimaal verlies aan smaak en voedingswaarde. Denk aan pompoen, bieten, winterwortelen, bruine bonen en dergelijke.
Aangezien deze groenten zonder extra verbruik van energie bewaard kunnen worden tell ik ze even mee als seizoensgroenten. Dat verbreedt de mogelijkheden om van het seizoen te eten aanmerkelijk, maar in vergelijking met wat we in de supermarkt kunnen vinden blijft het een smalle basis voor een smakelijk en gevarieerd menu.
Wie duurzaam wil eten, moet het seizoensvoedsel weer terug op zijn menu zien te wurmen. Dat is geen sinecure: we zijn gewend geraakt aan lekker en makkelijk eten. Althans, dat geldt voor mijn gezin. De een lust geen enkele kool behalve bloemkool, de ander houdt niet van stamppot of soep, een derde niet van bonen... kortom: vrijwel het gehele Nederlandse wintermenu kan bij ons op woedende protesten rekenen.
Aangezien mijn kinderen binnen mijn kennissenkring beschouwd worden als bikkels die zelden zeuren, vermoed ik dat er gezinnen zijn waar het nog minder makkelijk zal zijn om een seizoensmenu samen te stellen.

Het wordt zo langzamerhand tijd om op de proppen te komen met de aangekondigde uitdaging.
Welnu: ik heb mezelf ten doel gesteld één seizoensgroente te kiezen en die een week lang elke dag op het menu te zetten. Zonder dat het gezin reden heeft tot klagen of protesteren, en zonder twee keer hetzelfde gerecht te serveren.
Ik heb het mezelf makkelijk gemaakt en een lekkere, veelzijdige groente genomen: de winterwortel. Deze week eten wij dus:
Wortels gestoofd in Balsamico-azijn, Wortelsalade, Hartige groentenmuffins (voor groenten lees wortel), Roergebakken wortel met gember en mosterdzaad, Hartige taart met wortels en cashewnoten, Wortel-thijmrisotto en Pannenkoeken.
Voor wie het zich afvraagt: jazeker, ik bak pannenkoeken met een Geheim Ingrediënt, dat zorg draagt voor een prachtige goudgele kleur en bovendien de pannenkoeken, toch al rijk aan eiwitten én vetten én zetmeel nog wat verder de Schijf van Vijf op duwt.
Let wel: dit is niet álles wat ik de komende week eet: ik eet so wie so elke dag twee verschillende groenten, dus er blijft nog genoeg te variëren over.

Mijn uitdaging aan u: neem een wintergroente en zet die een week lang elke dag op het menu, zonder dat uw gezin gaat klagen en zonder het twee keer op dezelfde manier te bereiden. Als u een makkelijke groente kiest, zoals winterwortel of pompoen, dan staan we quitte. Neemt u iets moeilijks zoals spruitjes of boerenkool, dan wint u.
U wint ook als u zeven gerechten bedenkt die op een energiezuinige manier kunnen worden bereid, bijvoorbeeld in de hooikist, want daar ga ik nog een beetje de mist in. Jammer maar helaas; wie moeilijk doet over zijn eerste stap, die komt nooit ergens.

zondag 13 januari 2013

Een nieuw en beter leven: de hooikist.

De eerste helft van januari ligt al weer bijna achter ons, en dat wil zeggen dat het te laat is om nog met goed fatsoen een lijstje met goede voornemens te posten.
Goede voornemens zijn zó vorige week.
Trouwens, goede voornemens moet je niet posten, die moet je uitvoeren. De beste voornemens worden in stilte gemaakt; de rest van de wereld merkt pas aan het resultaat, dat je ze ooit gemaakt had. Wie zijn goede voornemens deelt met zijn naasten, gaat er al van uit dat hij zijn nieuwe, betere leven niet zal kunnen volhouden.
Hij wil helemaal geen nieuw en beter leven. Hij wil gewoon zijn oude, verdorven leven maar dan met, ik noem een volkomen willekeurig voorbeeld, een lager lichaamsgewicht.
Dat kan dus niet. Maar het oude, verdorven leven was zo lékker! Hoe kun je dat vaarwel zeggen?
Simpel, zeggen de goede voornemers: daar gebruik ik mijn vrienden en geliefden voor. Als ik terugval in de verdorvenheid, zullen zij het zien en dan schaam ik me natuurlijk dood. De angst voor die schaamte is een belangrijkere drijfveer dan het hebben van een nieuw en beter bestaan.
Als iemand jou vertelt dat hij wil stoppen met roken, dan weet je dat hij banger is voor jou dan voor de dood. Ergens wel vleiend.
Over mijn goede voornemens zal ik dus zwijgen. Min of meer; ik wil wel graag iets vertellen over mijn werkzaamheden van de afgelopen week, en het is mijn huisgenoten ongetwijfeld opgevallen dat ik harder aan sommige projecten werk dan ik deed in, ik noem maar wat, december.
Zo heb ik gisteren de hooikist eens onder handen genomen. Het ding staat al meer dan een jaar in mijn keuken, maar is nog niet eens half af.
Ik heb voor een grote keukenlade een kist laten maken, bestaande uit twee compartimenten van ieder ongeveer 35x35x35 cm. De meubelmaker gebruikte er een speciaal soort triplex voor, bestaande uit smalle latjes die afwisselend in de lengte en in de breedte aan elkaar zijn gelijmd; dat voorkomt kromtrekken bij (matige hoeveelheden) vocht en/of warmte.
In de compartimenten doe je isolerend materiaal. Alles kan. Ik heb in het verleden hooi gebruikt, en dat werkt prima, maar in mijn gezin rezen er zorgen over Beestjes die vast en zeker hun intrek zouden nemen in dit organische materiaal. Ik heb in twee jaar hooikisterij geen Beestje gezien; ook toen ik uiteindelijk besloot ander materiaal te gebruiken, en het oude hooi dus verwijderde, werd ik geconfronteerd met precies nul Beestjes. Hooi is dus prima.
Inmiddels gebruik ik echter een mengeling van allerhande afvalmateriaal: piepschuim (als er wel eens iets - wat dan ook - bij je bezorgd wordt, en je houdt niet zo van weggooien, heb je op een gegeven moment een aardige hoeveelheid piepschuim), een oude slaapzak, lakens, een wollen trui... mijn kist is in een voortdurende staat van ontwikkeling.
Op dit moment presteert-ie redelijk: een pan met een liter kokend water is na precies een uur nog 70 graden. Daarmee krijg je de meeste dingen wel gaar; rijst, aardappels, bieten, bonen etc. Ik wil de kist nog iets verder verbeteren (een laagje isolatiefolie tussen pan en piepschuim, bijvoorbeeld) voor ik mij aan pasta waag; resultaten uit het verleden maken mij een beetje huiverig wat pasta betreft.
Ik ben reuze trots op mijn zelf geproduceerde hooikist. Okee, er is een meubelmaker aan te pas gekomen, en in principe had ik ook zelf een kist kunnen timmeren, van afvalhout. Dan had-ie nul euro gekost. Maar dan was-ie ook wel een stuk minder mooi geweest.
In ieder geval: je kunt 'm dus zelf maken voor nul euro, en je bespaart er serieus gas mee.
Er is ook een alternatief op de markt dat je niet alleen het werk bespaart, maar dat ook veel minder ruimte in beslag neemt in je keuken: een lezer wees mij onlangs op de Hooimadam. Toevallig presteert die precies even goed als mijn kist: 70 graden na een uurtje. Kost meer dan nul euro, natuurlijk, maar ze is geheel van stof dus makkelijk op te bergen, en wordt lekker makkelijk thuisbezorgd. Zonder piepschuim verpakkingsmateriaal.

zaterdag 29 december 2012

De vijf duurzaamste dingen van 2012

Wat doe je in de laatste blogpost van het jaar? Terugblikken natuurlijk!
En hier op Groene Voeten blik ik terug op de duurzame kanten van het leven in 2012.
Om precies te zijn: op de duurzame kanten van mijn leven, want nog maar weer eens melden dat er weer een ronde klimaatbesprekingen de mist in is gegaan, en dat Nederland inmiddels het smerigste jongetje van de Europese klas is, is
A) saai, omdat je dat bericht elk jaar wel kunt plaatsen, en
B) laf, omdat de verandering naar duurzaamheid niet aan vergadertafels maar aan keukentafels wordt gemaakt. De wereld zul je zelf moeten veranderen; niemand anders gaat het voor je doen.
Daarom hierbij: de top vijf van manieren waarop ik mijn leven duurzamer heb gemaakt in 2012.

Op 1, met stip: de houtkachel! Niet dat ik die dit jaar heb laten installeren; dat was eind december 2011. Maar dit jaar heb ik 'm in gebruik genomen, ik heb een houtopslag in de tuin gemaakt en een groot deel van de lente en herfst heb ik hout gestookt in plaats van aardgas. En bovenal: ik heb mijn kachel leren gebruiken. Elke kachel en elke schoorsteen is anders, en de combinatie warme kamer+volledige verbranding+laag houtverbruik bereik je pas na veel oefening.

Op 2: de tuin. Niet alleen heb ik dit jaar een tweede groentenbed in productie genomen, waarvan ik smakelijke spinazie, koolrabi en pompoen heb kunnen smikkelen waar geen vervoerskilometer aan te pas is gekomen, ook heb ik me te pletter gelezen over permacultuur en Bio-intensieve tuinbouw, een volkstuin gehuurd voor het komende jaar, struiken en heesters ontworteld om volgend jaar mijn hele voortuin in productie te nemen en zaad en zaailingen besteld voor het komende jaar. (Ik speel hier een beetje vals... als ik al deze voorbereidingen tot vrucht laat komen in 2013, staan ze volgend jaar weer in mijn top vijf)

Op 3: de ledlampen. Een groot deel van mijn huis wordt inmiddels met LED verlicht. Serieuze besparing op elektriciteit!

Op 4: de hooikist. Die is nog niet helemaal af, maar al wel volop in gebruik. Ik heb niet geteld hoeveel pannen rijst, soep, bieten etc. ik daarin heb gekookt en wat ik daarmee aan gas heb bespaard, maar het is aardig wat.

Op 5: Hmmm... moeilijke keuze! Verschillende kleine verbeteringen strijden om deze laatste plek. Ik hou het op: de jam. Ik heb mezelf aangewend om in de herfst zelf jam te maken van kleinfruit uit de tuin (de kiwi's!) of uit het openbaar domein (bramen, van een overwoekerde groenstrook waar er zoveel groeien dat zelfs de plaatselijke vogelpopulatie ze niet allemaal op krijgt. Dat laatste is wel een voorwaarde om van duurzaam te kunnen spreken, overigens.) Sinds Augustus geen potje jam meer gekocht. De voordelen zijn evident: geen vervoerskilometers en duchtige recycling van jampotjes. De nadelen (energieverspilling door kleinschaligheid) zijn hopelijk kleiner dan de voordelen, maar uitgerekend heb ik het niet en daarom: de laatste plaats.


En jij? hoe is jou leven duurzamer geworden in 2012?

zondag 16 december 2012

Isolatie is energieverspilling

Energie besparen, en het is een beetje droevig dat hier soms nog op gewezen moet worden, kun je het beste doen door zo weinig mogelijk energie te verbruiken. Wie zijn huis isoleert, en vervolgens alle kamers dag en nacht tot 21 graden verwarmt, is niet erg zuinig bezig.
En daar komt nog bij dat, als je wilt isoleren, isolatiemateriaal moet worden geproduceerd, aangevoerd en geïnstalleerd. Kost allemaal energie. Bij ongewijzigd verbruik haal je die energie er snel genoeg weer uit, natuurlijk, maar het punt is nou juist dat je door je verbruikt te wijzigen een veel groter rendement kunt halen.
Een voorbeeld:
In mijn slaapkamer is het 's nachts koud. Dus ik heb het koud, zelfs onder drie dekens (nou ja, ik persoonlijk niet, want ik ben gezegend met een killer van een stofwisseling, maar anderen wel, waaronder iemand die gebruik maakt van dezelfde slaapkamer als ik. En reken maar dat het direct in mijn belang is dat die persoon het niet al te koud heeft 's nachts). Dat wil ik niet; ik wil het warm hebben. Dus de verwarming moet aan.
Ho, stop! Als ik de verwarming aandoe heeft mijn hele slaapkamer het warm, en dat was niet wat ik wilde.
Ik ben kleiner dan mijn slaapkamer (anders zou ik er niet inpassen), dus het is goedkoper om mij te verwarmen dan mijn slaapkamer.
Kortom: in mijn bed, dáár moet het warm zijn.
En aangezien mijn bed al geïsoleerd is, want dekens zijn niks anders dan isolatiemateriaal, is het heel efficiënt om mijn bed te verwarmen en mijn slaapkamer ongemoeid te laten. Zelfs en open raam bij lichte vorst heeft geen invloed op het verbruik van je elektrieke dekentje, want dat heeft geen thermostaat en levert een constante temperatuur af. En het verbruikt ongeveer 50 watt; ongeveer hetzelfde als de gloeilamp die je ouders voor je lieten branden op de gang, omdat het anders eng was.
Laten we zeggen dat je zes uur slaapt, dan verbruikt je dekentje pak 'm beet 0.3 KwH. Da's een stuk minder dan je verwarming verbruikt.
Maar het kan, natuurlijk, nog beter. Zoals zo vaak is ook hier de meest ouderwetse oplossing weer de duurzaamste: koop een kruik. Zet de fluitketel op en 0,2 KwH later heb je een liter warm water die, mits verpakt in kruik, garant staat voor een hele nacht warmte.
Nu is slapen met een kruik iets voor baby's. Het is ouderwets, armoedig en potsierlijk. MAAR. Leg op een koude winternacht een kruik in je bed, aan de kant waar je geliefde slaapt, en hij/zij zal je automatisch zien als de liefste, meest zorgzame persoon ter wereld.
De warmte die dat genereert, daar kan geen isolatie tegenop.
Maar de woonkamer dan? Die moet je wel isoleren, want in de woonkamer lig je niet onder een stapel dekens. Of wel?
Hou je vast. Nu gaan we hardcore.
Neem een slaapzak. Doe warm water in kruik. Doe kruik in slaapzak. Doe onderlijf ook in slaapzak. Lees boek. Dan hoef je alleen nog maar uit je slaapzak te komen om de verwarming uit te zetten, vanwege dat je het zo heet hebt.
Hoho, zegt u nu. Dát gaat mij een beetje te ver. Ik wil potverdrie wel rond kunnen lopen in mijn eigen woonkamer.
Welnu, lezer, ik ook. Daarom laat ik mijn huis ook isoleren, en stook ik af en toe de kachel flink op.
Maar naarmate de crisis verder voortschrijdt, zullen er meer en meer mensen komen bij wie gas en/of elektra worden afgesloten. U en mij gaat dat natuurlijk niet overkomen, lezer - ben je gek, dat overkomt alleen anderen. Maar mocht het ooit een van uw kennissen overkomen, dan weet u nu welke tip u hen kunt geven. Mochten uw kennissen zó krap komen te zitten, dat ze zelfs geen slaapzak meer kunnen betalen, dan mompelt u iets over een oud gordijn, een handjevol hooi, en de woorden 'zelfgemaakte voetenzak'. Een dikke trui doet dan de rest. Want een dikke trui is nog altijd de meest efficiënte isolatie.

zondag 25 november 2012

Kiwi-RSI

Wij mensapen delen een genetische afwijking met fruitvleermuizen en cavia's: we kunnen in onze lichamen geen ascorbinezuur aanmaken. En zonder A-Scorbinezuur krijgen we last van Scorbus, oftewel scheurbuik, want ascorbinezuur is hetzelfde goedje als vitamine C. Jazeker, lezer: alle andere dieren en planten kunnen vitamine C maken. Alleen wij, de cavia's en de fruitvleermuisjes niet. Hartelijk dank, moeder Natuur, dat heeft u weer fijn geregeld!
Gelukkig eet ik graag fruit, dus dat probleem kan opgelost worden.
Al jaren lang staat er dan ook een kiwi-plant te groeien tegen een zuidelijke muur van mijn huis. Een klimplant met mooie, grote bladeren die 's zomers de zon uit de kamer houden en 's winters op een hoopje lekkere mulch liggen te maken. Maar het gaat niet om de bladeren, natuurlijk (hoewel die al twee zeer nuttige dingen doen). Het gaat om de kiwi's.
Welnu: de kiwi-oogst was groot, dit jaar. Kilootje of dertien, van 1 plant.
Dat klinkt goed, maar het levert nogal wat problemen op.
Om te beginnen: de kiwi-plant komt oorspronkelijk uit China, en doe het ook in Nieuw-Zeeland erg goed. Die landen hebben een ander klimaat dan wij. Dus, jammer jammer, in Nederland worden kiwi's niet rijp. Kiwi's moet je oogsten vóór de eerste vorst, en we hadden een vrij vroege nachtvorst dit jaar, dus begin oktober zat ik opeens met dertien kilo onrijpe kiwi's opgescheept.
Nu schijnt het dat je ze in een koele ruimte kunt laten narijpen. Dat komt dan mooi uit, want ik heb een koele ruimte: mijn kelder.
Maar hoe sla je kiwi's op?
Ik dacht: laat ik ze maar eens op stro leggen. Dat was waarschijnlijk een goede gedachte. Aangezien echter een groot deel van de beschikbare vloer- en plankruimte in mijn kelder zou worden ingenomen door dertien netjes op stro uitgespreide kilo's kiwi's kwam ik op het onzalige idee ze te stapelen. In, ik zal het maar eerlijk zeggen, manden en dozen.
Daar liet ik ze anderhalf maandje liggen. Om na te rijpen. Nu weet ik nog van vorig jaar dat kiwi's heel lang in onrijpe toestand blijven, om daarna ineens helemaal zacht en bah-vies te worden. Overrijpe kiwi's daar kun je helemaal niets meer mee.
Onrijpe kiwi's zijn ook geen pretje - keihard en veel te zuur - maar daar is nog iets aan te doen. En dat deed ik dan ook: ik maakte er kiwi-jam van.
Niet van alle dertien kilo, natuurlijk, want nu openbaarde zich de enormiteit van mijn opslagfout. Daar in die dozen was de boel gaan schimmelen. Alleen de bovenste laagjes waren nog bruikbaar. Het merendeel van mijn oogst kon dus linea recta de composthoop op.
Geeft niks, sprak ik met tranen in mijn ogen. Compost is ook fijn.
Al doende leert men. Ik heb al jaren de eigenaardige gewoonte eierdozen niet zomaar weg te gooien. Daar heeft vast nog eens iemand iets aan, denk ik steeds, maar niemand wil ze hebben. Behalve dan ikzelf, volgend jaar. Volgend jaar gaan mijn kiwi's in eierdozen. Kijken of ze het dan nog voor elkaar krijgen te gaan schimmelen!
Ik had dus nog ruim vier kilo kiwi's om jam van te maken.
Genoeg voor 6 kilo jam, want er moet suiker bij anders blijft het te zuur; bovendien werk suiker conserverend (het spul zet een proces van osmose in gang, waardoor bacterieën en schimmels domweg uitdrogen. Dan moet je eigenlijk meer suiker gebruiken, de verhouding moet 1:1 zijn, dus ik heb mijn jam nog even gesteriliseerd: 10 minuten in de oven op 150 graden).
Inmiddels weet ik, beste lezer, dat het echt een rotkarweitje is, Kiwi-jam maken. Eerst moet je namelijk 4 kilo kiwi's schillen. Een kiwi zonder schil is een beetje glibberig, die moet je stevig vasthouden, wat de kans op in-je-vinger-snijden aanmerkelijk vergroot. Daardoor ga je krampachtig schillen; ik kreeg er pijn in mijn pols van. Kiwi-RSI - hoe sneu is dat?
En dan zwijg ik nog van die rottige haartjes die overal aan blijven kleven.
Na het schillen moeten de kiwi's even koken. Liefst zo kort mogelijk. Anders kook je, zo schijnt het, alle vitaminen eruit. En daar was het juist allemaal om begonnen.
Maar als je ze maar kort kookt, dan koken ze niet stuk.
De oplossing, dacht ik bij de eerste pan: gewoon even de vruchten in kleine stukjes snijden.
Dat sta je dus een uur te hannesen. Had ik al vermeld dat kiwi's vrij zuur zijn, en dat je dat gaat voelen, als je er een uurtje met je handen in staat? Nee, he?
Nou, dat is dus zo.
Dus bij de tweede pan dacht ik: ik haal ze gewoon door de rasp. Ik heb een hele prettige rasp, met een soort draaimechaniekje eraan. Ziet eruit als een soort ruimteschip van Star Wars (als die grote zwengels op hun dak hadden gehad). Het ding stamt, net als Star Wars overigens, nog uit de jaren '80. Maar ik bewaak hem als een draak zijn schat, want hij raspt alles.
Behalve kiwi's.
Die krengen slagen erin om zich, in een rasp, opeens van hun meest vezelige kant te laten zien. Zacht en toch draderig.
Dus uiteindelijk de staafmixer erop gezet - zeer tegen mijn zin (want gemakzuchtig en kost elektriciteit - moreel gesproken een dodelijke combinatie).
De gestaafmixerde jam kostte minder tijd. Maar was ook minder lekker.
En bovendien schijnen het in jam nu juist de min of meer heel gebleven stukjes te zijn, die niet alleen de smaak, maar ook het vitamine-C gehalte het best intact laten.
Volgend jaar dus: de kiwi's in eierdozen, en jam met stukjes erin.
En ook: de kiwi's dunnen als ze nog aan de plant hangen. Dan blijven ze groter, schijnt het, en dat scheelt met schillen.
Want ook al is het nog zo'n rotkarwei, die kiwi-jam hou ik d'r in.
Lekker spul!

dinsdag 6 november 2012

Verhalen van de Val

Eigenlijk was het mijn bedoeling verder te gaan met mijn verhalen over gezellige duurzaamheid, maar mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar (13 kilo, aan één plant, en er zat niet één rijpe tussen...) zal tot een volgende keer moeten wachten. Zeer passend, want de strijd is nog niet gestreden, maar dat is niet de reden voor dit uitstel.
Ik wil deze week iets vertellen over de moeilijkheden die je ondervindt als je wilt spreken over de gevolgen wan de vele crises waar we ons in bevinden.
Daar kun je vele, vele pagina's mee vullen maar dat ga ik vandaag niet doen want, ik zal het maar meteen eerlijk zeggen, ik heb een boek te pluggen. En de perikelen rond de publicatie van dat boek zijn zowel komisch als leerzaam.
Het gaat om After Oil, een collectie toekomstverhalen over de wereld na Peak Oil. De samensteller, John Michael Greer, schrijft een veelgelezen blog over Peak Oil en realiseerde zich: ik kan wel bezig blijven de feiten te vermelden, maar dat is niet voldoende. De mens heeft, om zich een beeld van de wereld te vormen, naast feiten ook verhalen nodig.
Nu zijn er verschillende verhalen gangbaar over de toekomst. De verhalen die in onze samenleving (nog) dominant zijn gaan doorgaans uit van een voortdurende vooruitgang. Of het nu over technologie, economie of moraal gaat, in de meeste verhalen speelt de gedachte dat we nu verder zijn dan we vroeger waren, en dat we in de toekomst nog verder zullen komen, een rol op de achtergrond. Of, als het verhalen over de toekomst zijn, op de voorgrond.
Een andere sterke grondslag is die van de apocalyps, de ineenstorting. Een gedacht die zijn populariteit voor een groot deel aan het christendom te danken heeft, maar die ook omarmd wordt door veel mensen die zich bezig houden met klimaatverandering, Peak Oil etc.
Deze beide ideeën kunnen ons niet behulpzaam zijn bij de uitdagingen waar we ons voor gesteld zien. Het eerste soort verhalen wekt de gedachte: vooruitgang is onvermijdelijk en 'ze' zullen wel een oplossing vinden voor dat klimaat-en-olie dingetje. Het eerste probleem is dat er, bij navraag, niemand lid lijkt te zijn van de club die bekend staat als 'ze'. Het tweede probleem is dat er geen oplossing is voor het klimaat-en-olie dingetje, althans geen oplossing die je kunt aanduiden met het woord 'vooruitgang'.
Het tweede soort verhalen werkt verlammend: er is geen oplossing, er staan ons verschrikkelijke rampen te wachten; vandaag of morgen kan het opeens allemaal over zijn en er is niets wat we daartegen kunnen doen.
Van dergelijke gedachten krijg je niet echt zin de handen uit de mouwen te steken. Bovendien is het onzin. Apocalypsen komen in de geschiedenis niet voor. Van de val van het Romeinse rijk (Historici zijn het er niet over eens wanneer die plaats vond: tussen de tweede en de vijfde eeuw? Van 234 tot 1452? Het enige wat ze allemaal zullen beamen is: het was bepaald niet in één klap voorbij) tot het uitsterven van de dinosauriërs (die helemaal niet uitgestorven zijn, maar in mijn achtertuin wonen onder schuilnamen als 'koolmees' en 'Vlaamse Gaai'): al die ineenstortingen hebben gemeen dat ze vele generaties duurden. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat ook onze samenleving gestaag achteruit zal gaan - eeuwenlang.
En daar hebben we bijna geen verhalen over. Wat jammer is, want de verhalen die ons aanspreken geven ons een idee over de wereld waarin we willen leven, of een manier waarop we ons leven willen vormgeven.
Daarom leek het meneer Greer verstandig om een verhalenbundel samen te stellen met verhalen uit een toekomst waarin alles gestaag achteruit gaat. Dat werd de bundel After Oil, waarin overigens mijn eerste Engelstalige verhaal is opgenomen (u dacht toch niet dat ik zoveel woorden zou wijden aan een boek waar ik niet in sta, of wel?).
Het was mijn bedoeling omstandig uit de doeken te doen wat de problemen waren bij het publiceren van dat boek, en waarom het uiteindelijk bij een minuscuul en zeer obscuur uitgeverijtje terecht is gekomen, en bij wijze van contrast nog even te wijzen op een ander, verwant boek dat geen perikelen ondervond maar, onder andere dankzij de geweldigheid van mijn Nederlandse uitgever, moeiteloos gepubliceerd werd, maar dit alles moet wachten tot volgende week.
En daarna, dat beloof ik, volgt het epos van mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar.

zaterdag 27 oktober 2012

Gezellig duurzaam, deel 3: Kopje thee

Soms gebeuren dingen in precies de juiste volgorde.
Een kennis vertelde me dat een waterkoker minder energie gebruikt dan een fluitketel, en nog geen week later gaf mijn fluitketel de geest.
Hoe, zo zult u zich misschien afvragen - in ieder geval stond ik het mij af te vragen, met luide stem en een taalgebruik dat mij waarschijnlijk in problemen zou brengen met de Schepper, als zo'n personage bestond en tijd had om zich druk te maken over enkele haastige en emotionele woorden in mijn keuken - hoe kan een fluitketel nou de geest geven? Er zit niet echt wat je noemt hoogwaardige technologie in verwerkt. Een ijzeren vat met een handvat en een fluitje, dat is het wel zo'n beetje. En aangezien je het fluitje, met een beetje goede wil, nog zou kunnen omschrijven als 'Het meest technologisch ingewikkelde deel van de fluitketel' is dan waarschijnlijk het eerste wat er kapot gaat, niet?
Nee dus. Dingen gaan ook nooit eens een keer zoals je verwacht. Het was het handvat. Dat was een houten handvat, en we kunnen ons afvragen hoe verstandig het is van de HEMA om een voorwerp, dat op het vuur geplaatst moet worden, te voorzien van houten onderdelen.
Kennelijk werd een deel van de warmte, die ik in mijn kopjes thee investeerde, gebruikt voor het vernachelen van mijn handvat. Zonde en jammer. Misschien zat er toch iets in die opmerking van mijn kennis, dat fluitketels meer energie verbruiken dan waterkokers?
Een rondje googlen leverde mij de gevraagde informatie. Waterkokers en fluitketels, dat maakt maar weinig uit. 0,022 kilowattuur per liter, ongeveer. In het voordeel van de fluitketel, dat dan weer wel.
MAARRRR duurzaamheid is zelden simpel. (Als u dacht dat dat van die 0,022 KwH/Liter simpel was, tenminste - ik ben zo vrij geweest de energiekosten voor het uitzoeken van dit feitje buiten beschouwing te laten. Googlen kost meer energie dan u denkt...)
Er zijn nog een paar factoren in het spel.
Kalk, bijvoorbeeld.
Wie water verwarmt, krijgt kalkaanslag. En de kalklaag die zich ontwikkelt in koker of ketel, wordt méé verwarmd als u water wilt koken. Regelmatig ontkalken bespaart dus energie (hoe vaak u moet ontkalken om de juiste balans te vinden tussen energiezuiniger koken enerzijds, en het besparen op azijn, die ook weer energie kost om te produceren en vervoeren, anderzijds - dat mag u lekker zelf uitrekenen. Ik ben gekke Henkie niet). Kalk in een koker valt eerder op dan kalk in een ketel, dus dat regelmatige ontkalken doe je eerder met een waterkoker. Of je moet ergens opschrijven hoe vaak je thee zet, en dan na elke vijftig keer (ik noem maar wat) netjes ontkalken.
Daarbij komt: veel waterkokers hebben een ruitje waardoor je precies kunt zien hoeveel water je aan het verwarmen bent. Fluitketels hebben dat niet. Daar moet je op het gevoel mee werken, en dat wil zeggen dat je regelmatig méér water verwarmt dan je nodig hebt. Of je moet een maatbeker strategisch tussen je kraan en je fornuis plaatsen.
Bovendien, en hier zit de echte winst, drinken wij thuis vaak groene thee. En veel van de betere groene thee-soorten dient met te zetten met water van 80 of zelfs 70 graden (bijvoorbeeld, respectievelijk, Lung Ching of Pi Lo Chun). Water verwarmen tot 80 graden kost, natuurlijk, veel minder energie dan doorgaan tot het kookpunt. Het is veel en veel makkelijker om dit verschil in te schatten bij een waterkoker dan bij zo'n potdichte fluitketel. (Ik gebruik zelf een vloeistofthermometer, maar ik ben dan ook een thee-purist. Lung Ching gezet op 100 of zelfs 90 graden is gewoon niet te zuipen). Je kunt ook een koker kopen waarvan je de temperatuur kunt instellen, al zijn die, zo heb ik inmiddels helaas ondervonden, niet altijd even betrouwbaar.
Kortom: op primaire prestaties legt de waterkoker het nét af tegen de fluitketel. Maar op secundaire prestaties (ontkalken, niet meer water verwarmen dan nodig, verwarmen tot onder het kookpunt) is een waterkoker veel mákkelijker in het gebruik.
Nu kun je zeggen: doe dan wat meer extra moeite voor die 0,022 KwH/L. Wil je nou duurzaam leven of niet!?
Maar als we de menselijke natuur in aanmerking nemen is het verstandig om te zeggen: neem lekker die waterkoker. Dan doen al onze natuurlijke, en op zichzelf domme en/of zelfzuchtige menselijke neigingen het duurzame werk voor ons.
Ziet er vies uit he, die kalk?
Lekker snel klaar he, als je niet meer water neemt dan nodig?
Lekker he, Lunch Ching van 80 graden?
Zo is de waterkoker duurzamer, niet omdat-ie minder energie gebruikt maar omdat-ie ons verleidt tot duurzaam gedrag.

zaterdag 13 oktober 2012

Gezellig duurzaam, deel 2: Hoera voor CO2!

Nu de ochtenden weer wat frisser worden begin ik langzaam mijn kachel onder de knie te krijgen. Hij is destijds aangeschaft om twee redenen: ten eerste omdat hij buitengewoon efficiënt is in het verbranden van hout en ten tweede omdat hij er mooi uitziet. Voor sommige waarden van mooi, natuurlijk. Als je houdt van veel versieringen en krullerige lijnen, dan is-ie foeilelijk. Houd je echter meer van rechte, strakke lijnen dan is-ie prachtig. (Voor wie nieuwsgierig is naar de esthetiek van mijn huiskamer, het is een Stuv 16 cube)
Het voordeel van die efficiënte verbranding is dat je minder houdt nodig hebt om je kamer warm te stoken. Een ander voordeel is dat het houdt bijna volledig verbrandt, wat wil zeggen dat het hout grotendeels wordt omgezet in waterdamp en CO2. En CO2 is, in dit verband, goed. De boodschap dat CO2 slecht is is er zo ingehamerd (en terecht) dat je bijna gaat vergeten dat zijn kleine broertje koolmonoxide ook geen lieverdje is.
Adem teveel koolmonoxide in en de sterft.
Je moet er vrij veel van binnenkrijgen, dat is waar, maar in de dagen dat Nederland zich warmde aan gaskachels kwam het regelmatig voor dat mensen, die indommelden bij een gaskachel waar een kleinigheidje mee mis was, nooit meer uitdommelden.
Hoera voor CO2, dus.
Ook al omdat er bij volledige verbranding maar weinig roet vrijkomt. En roet is niet goed. Ik woon in een buurt waar vrij veel mensen een open haard hebben. Op de mooie, heldere, vrieskoude nachten hangt er in mijn straat soms een dichte mist, die geen mist is - zelfs geen smog - maar pure rook. Op de traditioneel gezellige winteravonden - kerst, Sinterklaas, oudjaar - kan een asthma-lijder zich beter niet buiten wagen in onze buurt.
Roet is een moordenaar.
Het is de oorzaak van schoorsteenbranden, maar dat is klein bier. Het spul is kankerverwekkend en er zijn verbanden gevonden met hart- en vaatziekten. Wie hout wil stoken (en heel veel mensen willen dat; hun aantal zal over een jaar of tien explosief toenemen, want dan is de gasbel in Slochteren leeg en dan moet Nederland aardgas importeren, met alle gevolgen vandien voor de prijs) kan maar beter zorgen dat hij een zo volledig mogelijke verbranding weet te realiseren. Of leren leven met de gedachte dat je een moordenaar bent, natuurlijk. Een moordenaar van je eigen familie en buren, welteverstaan, want de meeste roet die je uitstoot komt bij jou in de buurt weer naar beneden.
Een kleiner deel verdwijnt de atmosfeer in, wara het dingen doet met ons klimaat.
Helaas is nog niet duidelijk wélke dingen.
Roet kan fungeren als condensatiekern en speelt dus een rol bij de vorming van wolken en regen. Regen is goed, natuurlijk, want waterdamp is een broeikasgas en alle waterdamp die als regen neerslaat is niet langer bezig met het opwarmen van de aarde.
Een deel van de waterdamp slaat echter neer als sneeuw, en sneeuw met roetdeeltjes erin is niet volmaakt wit. En absorbeert meer zonnewarmte. En smelt sneller. En dat is allebei jammer, want het weerkaatsend vermogen van sneeuw (de albedo) sp[eelt een belangrijke rol in het klimaatsysteem van de aarde.
Ook wolken spelen een belangrijke rol: ze kunnen het aardoppervlak warm houden ('s nachts) of juist koel (overdags).
Kortom: roet en klimaat, daar is het laatste woord nog lang niet over gezegd.
En dat hoeft ook niet. Wie maakt zich druk om het klimaat, terwijl hij bezig is zijn eigen familie om zeep te helpen?
Roet is niet goed. Volledige verbranding wel. Hoera voor CO2!
Mijn kachel is niet alleen, efficiënt, maar ook mooi. Het design van de kachel heeft jammer genoeg ook nadelen: als het hout erin niet goed brandt, is dat makkelijk aan te passen door er wat hout bij te gooien of even in de boel te poken.
En dat is niet aan te raden, bij de Stuv, want zodra je het raampje opendoet wolkt er dikke, vieze rook de kamer binnen.
Als de kachel schoon brandt heb je dat probleem niet, maar ja, dan hoeft het deurtje niet zo vaak open.
Inmiddels, nu ik 'm bijna een jaar heb, kan ik mijn kachel zó stoken dat ik niet meer hoef te rommelen en poken.
Tien maanden, minus vijf maanden zomer en lente, is vijf maanden. Dat is de tijd die ik nodig heb gehad om mijn kachel onder de knie te krijgen. Ik was geen onervaren stoker - jarenlang wist ik in een handomdraai een mooie fik te krijgen in onze open haard - maar elke kachel is anders en geen twee schoorstenen trekken hetzelfde. Ook voor zoiets simpels als het aansteken van een houtvuurtje geldt weer: You haven't learnt it if you haven't actually done it. En ik kan daaraan toevoegen: je hebt het pas goed geleerd, als je het heel vaak hebt gedaan.

Toen ik me vanmorgen neerzette bij de kachel, met mijn laptop en een kopje thee, had ik eigenlijk willen schrijven over de duurzame kanten van een kopje thee. Een inleidende opmerking over mijn houtkachel liep echter zodanig uit de hand, dat u de kop thee van mij tegoed moet houden. Volgende week dus nog meer gezelligheid!

dinsdag 25 september 2012

Gezellig duurzaam

Het woord 'Duurzaam' torst, helaas helaas, een wagonlading negatieve associaties met zich mee. Dat is waarschijnlijk een van de belangrijkste redenen dat de duurzaamheidstrein maar langzaam op stoom komt.
'Duurzaam = duur' is een van die onfortuinlijke misvattingen. Daarover hebben we het al eerder gehad.
'Duurzaam is ongezellig' is een andere. Duurzame mensen zijn bleke, sombere types die met vijf lelijke handgebreide truien over elkaar aan in onverwarmde kamers bij blauwwit LED-licht vies vegetarisch eten weg zitten te knagen. Dit alles tegen heug en meug, natuurlijk, maar ze hebben zich nu eenmaal voor de gek laten houden door de frauduleuze klimaatwetenschappers, ofwel (voor degenen met iets meer respect voor de realiteit) ze grijpen de wel degelijk bestaande klimaatproblematiek aan voor het maken van loze gebaren die toch niks uithalen teneinde zich superieur te kunnen voelen aan de meer op zijn comfort gestelde medemens.
Niets, dierbare lezer, is minder waar.
Over deze hele reeks misvattingen op het vlak van ongezelligheid kan ik heel veel vertellen, maar omdat een beeld meer zegt dan duizend woorden volsta ik nu even met de mededeling dat ik dit blog zit te schrijven, met mijn trouwe laptop op schoot, bij het knapperend haardvuur terwijl de geur van versgebakken brood door de kamer kringelt.
Dat brood komt uit de bakmachine, want ik ben duurzaam maar lui. Echte die-hards bakken hun brood natuurlijk zelf, in een houtoven, maar het ontbreekt mij aan de daartoe benodigde houtoven. En vooral aan het daartoe benodigde geduld, want dat kneden doe je niet in een handomdraai en het rijzen vraagt nogal wat tijd.
Nee, doe mij maar een bakmachine.
Dan weet ik in elk geval zeker dat ik brood heb van biologisch verbouwd graan, dat gemalen is op de wind (in een van de laatste functionele windmolens van Nederland, die een minuut of tien fietsen bij mijn huis vandaan staat - je kunt maar geluk hebben) en vervolgens gebakken is met behulp van groene stroom.
En wat ik vooral zeker weet is dat het heel, heel erg vers is. Want dat ruik ik.
Het ruikt lekker. Het ruikt huiselijk en gezellig. Iedereen die wel eens versgebakken brood heeft geroken zal het daarmee eens zijn.
Nog zo'n universeel gewaardeerde geur: het haardvuur.
Het haardvuur, zo hoor je allerwegen, geeft een 'gezellige warmte'. Dat kan dus niet, want warmte is gewoon de kinetische energie van de ons omringende lucht: de snelheid waarmee haar moleculen bewegen. Daar is niet zo heel veel gezelligs aan, zou je zeggen.
Het gezellige zit hem in het licht, natuurlijk, en waarschijnlijk ook wel een beetje in de geur. Aan brandlucht hebben we allemaal een hekel, de lucht van een kampvuur kan niet iedereen bekoren, maar een open haard, daar houdt iedereen van. Mits goed aangestoken. Als de wolken door de kamer drijven, is het wat anders. Zoals ik helaas herhaaldelijk persoonlijk heb kunnen vaststellen.
Onze open haard is geen haard maar een kachel (want van ijzer, en er zit een glazen deurtje voor het vuur), en we hebben hem nu een jaar. Elke haard en elke kachel heeft zijn eigen vereisten, wil op zijn eigen manier worden aangestoken - je hebt het nooit metéén onder de knie. Dus in de eerste weken zul je af en toe je huisgenoten kuchend en met betraande ogen de kamer uit zien lopen.
Maar als je het eenmaal onder de knie hebt, dan heb je wat.
Allemaal leuk en aardig, natuurlijk, maar wat heb je d'r nou eigenlijk an, qua duurzaam? Bomen waren toch goed? Dan moet je die toch niet opstoken?
Eh... nee, inderdaad.
Bomen zijn heel, heel goed.
Ze vangen het gehate CO2 uit de lucht en maken er een mooi bos van. Ze maken regen (doordat ze niet alleen zuurstof, maar ook waterdamp uitademen. Regen, die meer dan 300 km van de kust neerkomt, is niet uit de zee afkomstig maar grotendeels van uitademende gewassen. Voornamelijk bomen). Ze doen nog meer, waar mens en eekhoorn blij van worden, maar dat ligt allemaal zo zeer voor de hand dat ik het niet hoef te noemen.
Waarom ze dan in brand steken?
Omdat hout, in tegenstelling tot aardgas, een hernieuwbare bron is.
Gas raakt op. Hout groeit er gewoon weer bij. En hout vangt, al groeiende, CO2 uit de lucht. CO2 die je er vervolgens net zo hard weer de lucht in blaast, als je het hout in de fik steekt, maar het netto-effect is dan nog altijd ongeveer nul.
Kom daar bij aardgas nog maar eens om.
Moet je dus wel hout nemen uit een deugdzaam beheerd bos, waar de bomen weer worden teruggeplant. Of snoeihout - nog beter.
Stoken in een open haard heeft niet zo veel nut, trouwens. Dat levert maar weinig warmte, want je krijgt er zelden een volledige verbranding en bovendien verdwijnt de meeste warmte door de schoorsteen.
Een beetje een goeie kachel, daarentegen, kan zo'n 75% rendement halen. 75% van de in het hout opgeslagen energie (lees: zonlicht) komt als warmte je kamer in! Het is even een investering, zo'n kachel (Vimes' Boots marcheren ook hier weer de discussie binnen), maar hout is vooralsnog goedkoper dan gas als je kachel een hoog rendement heeft. En dat een kachel, met ene lekker groot raam zodat je de vlammen kunt zien dansen, veel aangenamer is dan een centrale verwarming, dat hoef je niemand uit te leggen.
Duurzaam: goedkoper én gezelliger!

zondag 16 september 2012

Het sperziebonenseizoen.

Ik probeer zo veel mogelijk van mijn voedsel te kopen bij de Natuurwinkel. Als ik zeg 'zo veel mogelijk' dan bedoel ik eigenlijk dat ik de de grens trek bij 'schreeuwend duur'. De Natuurwinkel (ik gebruik deze naam even voor alle Natuurwinkels, Ekoplaza's, Gimsels en welke merken je verder allemaal hebt op dit gebied - de verschillen zijn verwaarloosbaar) biedt, zoals u weet, eerlijk voedsel voor een eerlijke prijs. Helaas is die eerlijke prijs zodanig dat iemand die elke dag, bijvoorbeeld, sperzieboontjes eet binnen een jaar moet overstappen naar een andere leverancier. Namelijk de Voedselbank.
Het is een wonderlijke toestand, dat met die sperzieboontjes.
In de Natuurwinkel kun je meestal gemakkelijk zien welke groenten in welk seizoen groeien. Als de courgettes betaalbaar zijn, is het courgetteseizoen. Is de boerenkool betaalbaar, dan is het boerenkoolseizoen.
Hallo, Natuurwinkel! Wanneer is dat stomme sperziebonenseizoen nou eigenlijk? Die krengen zijn het hele jaar door krankzinnig duur.
Voor de meeste groenten geldt bij ons in huis: zijn ze in het seizoen, dan halen we ze bij de Natuurwinkel. Zo niet, dan zijn er twee opties.
Optie 1: ik doe de boodschappen en we eten gewoon iets anders.
Optie 2: mijn lief doet de boodschappen en we eten de onseizoenelijke groente wel, maar die komt gewoon van de Supermarkt.
Meestal doe ik de boodschappen, dus sperzieboontjes eten wij bijna nooit. En dat is jammer, ivm voedzaam en smakelijk.
Bieten eten wij het hele jaar door, want afgaande op de prijs zijn die dingen altijd in het seizoen. In het courgetteseizoen zijn de bietjes goedkoper dan de courgettes. In het pompoenseizoen verslaan ze de pompoenen met gemak en in het boerenkoolseizoen laten ze fluitend de boerenkool achter zich. Staand voor het groentenschap krijg ik soms visioenen van een boer die ontspannen langs de velden kuiert, terwijl er tientallen, honderden bieten op eigen kracht vanuit de grond boenkerdeboenk in zijn kruiwagen springen.
Vreemd genoeg is het in de Supermarkt het het hele jaar sperziebonenseizoen.
Als je ze bij de Super het hele jaar kunt krijgen voor nog geen € 3 de kilo, terwijl ze bij de Natuurwinkel zelden onder de € 8 duiken, dan weet je dat er iets mis is. Iemand hier (ik kijk naar jou, Super) biedt ze niet aan voor een eerlijke prijs.
Wat zou er mis zijn, met die boontjes van de Super?
Zijn ze ongezond? Kennelijk niet: biologisch voedsel is even gezond als agro-tech voedsel, zo leerde ons onlangs een baanbrekend rapport van de universiteit van Stanford. Drie jaar geleden was er ook al een baanbrekend rapport met precies dezelfde conclusie, en zeven jaar daarvoor ook, geloof ik. Men blijft maar baanbrekend concluderen: in biologisch voedsel zitten niet meer mineralen en vitaminen en vezels etc. dan in agro-tech. Kennelijk vindt men dat belangrijk. Biologisch voedsel bevat, zo blijkt ook steeds weer, minder landbouwgif en multiresistente bacteriën dan agro-tech. Kennelijk minder belangrijk. Biologisch voedsel put de bodem niet uit en is onafhankelijk van niet-hernieuwbare bronnen; dat heeft weliswaar niks met gezondheid te maken, maar wie zegt dat gezondheid het enige is waar je keuze van af mag hangen?
Wat is er mis met die onmogelijke sperzieboontjes? Afgezien van de niet-hernieuwbare kunstmest, de uitgeputte bodem en het landbouwgif (Oh ja, en het verbruik van kerosine - uw boontje wordt ingevlogen uit Egypte)?
Een tipje van de sluier werd deze week opgelicht doordat 's lands grootste Supermarkt een brief stuurde aan al zijn leveranciers: ze hadden besloten al hun leveranciers botweg 2% minder te gaan betalen voor hun producten. Pech voor de producenten. Als de prijs lager is dan in de Natuurwinkel, kun je ervan uitgaan dat er ergens iemand genaaid wordt. Een boer, een vervoerder, de kinderen die straks van dat kapot gemeste land moeten leven... En als de prijzen zo krankzinnig laag zijn als van de Super-boontjes, dan kun je er zeker van zijn dat vrijwel iedereen genaaid wordt. En hard ook.

Ik verbouw dit jaar mijn eigen sperzieboontjes. Niet alleen weet ik nu eindelijk wat het sperziebonen-seizoen is (augustus en begin september), ik bespaar geld, en krijg geen landbouwgiffen binnen. Maar die Egyptische boer dan? Die verdient nu helemaal niks aan zijn boontjes!
Nou, dan eet-ie ze toch lekker zelf op? Of hij verkoopt ze aan zijn mede-Egyptenaren. Of hij rukt ze uit en zaait tarwe in.
De Arabische Lente, laten we dat niet vergeten, begon met rellen over de voedselprijzen. Als ze daar te weinig te eten hebben, waarom moeten ze dan die krankzinnige boontjes voor ons verbouwen? Want boontjes, ook dat leer je helaas als je ze zelf verbouwt, leveren een bedroevend lage opbrengst per vierkante meter. (hier mag u een mild-bedroefde zucht achter denken)


PS. mijn spellchecker kent niet de woorden courgetteseizoen of sperziebonenseizoen, maar wel 'boerenkoolseizoen'. Seriously, WTF? Zoals dat tegenwoordig heet.

dinsdag 12 juni 2012

Winst op de vierkante meter

De gemeente Nijmegen, waar ik woon, is niet alleen een links maar ook een groen bolwerk. Althans, zo denkt men er hier zelf over. In werkelijkheid loopt onze gemeenteraad een ietsiepietsie achter bij andere steden; Nijmegen wil klimaatneutraal zijn in '32, Amersfoort en Utrecht twee jaar eerder - en dat zijn de steden uit mijn eerste vijf seconden googlen. Dus.
Of ook maar één van deze steden zijn ambitie gaat halen is zeer de vraag, natuurlijk, maar daar gaat het nu niet om. Ik wilde alleen maar even vertellen dat Nijmegen een groene gemeente is. Dat kan 'm zitten in heel kleine dingen, en één van die kleine dingen ligt bij mij voor de deur. Het is een boomspiegel.
Voor wie niet weet wat een boomspiegel is: dat is die uitsparing in het trottoir, dat treurige stukje zand dat om een boom heen ligt en dat een paar keer per jaar door de gemeente wordt doodgeschoffeld. Groen onderhouden is veel werk, en een stukje zand dood houden is aanzienlijk goedkoper. Dat is jammer, want groen is beter. Als de boomspiegels vol planten zouden staan, dan zouden die plantjes gratis en voor niks CO2 uit de lucht vangen. En fijnstof. En ze zouden de waterhuishouding van de bodem verbeteren. Bovendien voelen mensen zich, dat is inmiddels ruimschoots aangetoond, gelukkiger in een omgeving met natuurlijke elementen.
Plantjes tegen depressie, een beetje zoals op sommige stations klassieke muziek wordt opgezet om de junks buiten te jagen. Groen geeft ook rust en verlaagt de agressie, dus met een beetje geluk scheelt het ook nog eens in de bushokjes.
Maar groen kost geld, en de gemeente gaat dat niet betalen want die heeft al haar geld nodig om mooie glanzende klimaatneutrale bussen op de weg te houden.
Goede raad bleek goedkoop.
Wie wil kan een boomspiegel claimen en er een mini-tuintje beginnen. Win-win! Ik een gratis tuintje, de gemeente gratis groen.
Dus. Ik heb een gratis vierkante meter om mee te doen wat ik wil (afgezien van het omhakken of anderszins beschadigen van de grote dikke boom in het midden, wat nogal een forse beperking is). Wat ga ik daar eens mee doen?
Ik ben nog steeds op rooftocht, dus uit deze gemeentegrond wil ik winst halen. Winst voor mij, uit de zak van mijn stadgenoten. Mwoehahaha! Hoe pak ik dat aan?
Het is niet eenvoudig. In de eerste plaats is de grond zo verarmd (je laat er onkruid groeien, schoffelt het omver en gooit het stoffelijk overschot in een wagentje van de gemeentelijke reiniging. Herhaal vijftig jaar lang. En voila: Peak Soil in het klein) dat er alleen de meest geharde onkruidjes groeien. Dat is te verhelpen natuurlijk, je kunt er compost op gooien, maar het is de bedoeling dat ik uit deze vierkante meter winst haal, niet dat ik er mijn kostbare compost heen breng.
Trouwens: ik hoef niet te mesten. Anderen mesten voor mij: de hondenbezitters uit de buurt. Boomspiegels hebben op hondenbezitters een magische aantrekkingskracht. Ze zijn minder ver lopen dan een hondentoilet en niemand klaagt als een hond in een boomspiegel schijt. Ja, ik wel natuurlijk, maar de grond is niet van mij dus ik heb niet echt een poot om op te staan.
Een aanvoer van voedingsstoffen is dus gegarandeerd. Het enige wat ik hoef te doen is zorgen dat ze niet bij de eerste regenbui het riool in spoelen. Het eerste jaar bestonden mijn liefhebbende zorgen uit het rucksichtlos laten staan van al het onkruid. Dat houdt meststoffen vast en bovendien maakt het met zijn wortels de keiharde grond wat losser. Ik schoffel af en toe wat onkruid om en laat het liggen als mulch voor het andere onkruid.
Dit jaar zet ik er wat eigen plantjes in (okee, ik zal eerlijk zijn: dat heb ik vorig jaar ook al geprobeerd, maar ze hebben het niet overleefd op een schrale stokroos na).
Er zijn mensen die mooie plantjes uit het tuincentrum halen en zo hun boomspiegel opfleuren. Die mensen zijn niet, zoals ik, op rooftocht. Ik zet er gratis plantjes in, die ik over heb uit mijn achtertuin. Maagdenpalm, om precies te zijn. Een fijn woekerende bodembedekker (er is een reden dat ik maagdenpalm over heb in grote hoeveelheden) die hetzelfde werk doet als het onkruid, maar dan met mooie paarse bloemetjes.
Nu heb ik dus mooie paarse bloemetjes.
Dat noem ik nog geen winst. Ik wil er iets uit kunnen halen, uit mijn vierkante meter. De maagdenpalm staat er voornamelijk om aan iedereen te laten zien: deze vierkante meter wordt wel degelijk beheerd mensen, kijk maar, bloemetjes, mooi he? Zo heeft niemand reden om te klagen over het opschietende onkruid, terwijl ik mij beraad op de volgende stap.
Ik ken een straat in Nijmegen waar een ondernemende geest in iedere boomspiegel twee of drie aardappelplanten heeft neergezet. Geinig, maar eigenlijk moet je rond die plantjes de grond iets ophogen, anders worden je aardappels groen en daar krijg je buikpijn van. Voor ophogen ligt er in zo'n boomspiegel niet genoeg zand. En, belangrijker, hoe oogst je zo'n aardappel?
Uit de grond halen, allicht, maar die grond, daar is iets mee. Die is bemest door mijn vriendelijke, hondenbezittende buurtgenoten. En hondenpoep bestaat voor een groot deel uit bacteriën (ongeveer een derde, als ik goed ben ingelicht) met als smaakmakers nog een mespuntje parasieten.
Dat wil ik allemaal niet aan mijn aardappels hebben hangen als ik ze binnenhaal. Over veldsla héb ik het niet eens.
Een tijdje heb ik gedacht: ik zet er smeerwortel in (over die wonderplant zal ik het later nog eens hebben). Maar daarvan zou ik alleen de hoogste bladeren kunnen gebruiken, en dan nog zou ik moeten hopen dat de beste vriend van de mens ze niet heeft ondergepist.
De hoogte moet ik in!
Dus morgen gaat er een kiwiplantje de grond in. Is gratis, want een stekje uit eigen tuin, dus als er over ene paar jaar kiwi's aan komen hoef ik niet te vrezen dat onverlaten mijn kiwi's oogsten. Elke kiwi die ik zelf te pakken krijg, is pure winst.
Een andere mogelijkheid: bamboe. Bamboestaken om bijvoorbeeld bonen op te binden, daarvan heb je er niet snel te veel. Ik heb er zelfs te weinig. Een eigen bamboeplantage voor de deur, dat lijkt me wel wat!
Nu nog op zoek naar iemand die een stekje bamboe over heeft. Want ik ga er geen geld in steken; je bent op rooftocht of niet.

donderdag 24 mei 2012

Ik ga op rooftocht

Het regent al maandenlang geld op mijn dak. Niet in overdreven grote hoeveelheden, helaas: stuivers en dubbeltjes - op een heel goede dag zo'n tweeëneenhalve euro.
Daar zal ik dus niet rijk van worden, ook al heb ik de afgelopen weken relatief veel goede dagen gehad. Aan de andere kant: er gaan veel dagen in een jaar, en zelfs als het maar een paar honderd euro oplevert is het mooi meegenomen. En bovendien verwacht ik dat de hoeveelheid neerslag zal toenemen.
Want ik heb het natuurlijk over de zonnepanelen die ik vorig jaar op mijn dak heb laten leggen. Een PV-systeem (PV staat voor Photo-Voltaïsch, wat weer een duur woord is voor "licht omzettend in stroom") waarmee ik jullie allemaal een poot uitdraai.
Hoe zit dat, met die poot? Zonnepanelen leveren toch juist gratis energie, dat is toch geen stelen?
Dat zou waar zijn, als zonnepanelen aan de boom in mijn achtertuin groeiden. Daar groeien echter lijsterbessen aan en dat is jammer, want aan lijsterbessen heb ik niet veel - ze lokken zelfs geen vogels, want de achterburen hebben óók een lijsterbes en die is kennelijk lekkerder.
Zonnepanelen moeten geproduceerd worden en dat kost een hoop energie. En die energie komt niet van zonnepanelen, maar van fossiele brandstoffen.
Er zijn lieden die beweren dat zonnepanelen net zoveel energie kosten als ze opleveren; dat zonnepanelen een ERoEI energy return on energy investment) hebben van 1:1. Dat zijn echter meestal lieden die om een of andere reden tegen zonnepanelen zijn. Een ERoEI van ongeveer 3:1 is waarschijnlijker. Dat is mooi, maar niet krankzinnig hoog: ruwe olie die onder eigen druk uit de aarde komt heeft een ERoEI van ongeveer 100:1. Olie uit teerzand heeft een ERoEI van hooguit 6,5:1.
Het leggen van zonnepanelen op mijn dak heeft dus een flinke investering gevergd.
Die heb ik deels cadeau gekregen van... u, beste lezer!
Ten eerste kreeg ik een aardige subsidie, voor ongeveer een kwart van het aankoopbedrag, van de gemeente Nijmegen. Belastinggeld dus. Aan de Nijmegenaren onder u: hartelijk dank!
Ten tweede wordt het gebruik van fossiele brandstoffen flink gesubsidieerd door de overheid. Dat valt u, lezer, waarschijnlijk niet zo op wanneer u uw energierekening in de bus krijgt - dan lijkt het potdorie wel of u, door die vermaledijde energiebelasting, méér betaalt dan nodig! Welnu, ik kan u geruststellen: dat heeft u goed gezien. U betaalt ook meer. Maar u bent ook geen grootverbruiker; u bent geen industrie en geen transportbedrijf. Als u dat wel was, dan was u een stuk goedkoper uit. Niet via subsidie, maar via belastingvrijstellingen en -kortingen, wat zogenaamd iets heel anders is. We laten deze rhetorische truc even voor wat-ie is en keren terug naar de kern van de zaak: uw gulle donatie aan mij. U betaalt belasting en de overheid geeft die door aan de fabriek die mijn zonnepanelen maakt en de vrachtwagen die ze naar mijn deur brengt. Hartelijk dank!
Het zal de oplettende lezer overigens opvallen dat ik hier zelf ook een kleine rhetorische truc heb toegepast: ik ben van energie-investering overgesprongen op financiële investering. De financiële investering wordt verlaagd door de verschillende subsidies en belastingkortingen, maar die hebben vanzelfsprekend geen enkele invloed op de energie-investering. Je kunt hoog springen of laag, je kunt er zoveel subsidies tegenaan gooien als je maar wilt, maar de ERoEI blijft ongeveer 3:1.
Dat wil zeggen dat het voor ons als maatschappij een krankzinnige investering zou vergen om over te schakelen op duurzame energie (de ERoEI van andere duurzame bronnen is niet veel hoger dan die van zonnecellen). Als we alle energie die we nu gebruiken op duurzame wijze zouden willen winnen, dan zouden we éérst ons energieverbruik met 33% moeten terugdringen, om de besparing helemaal in alternatieve bronnen te steken. Ziet u het gebeuren?
Kortom: wij als maatschappij zijn behoorlijk het bokje.
Het is dus verstandig om als individu nu actie te ondernemen. Schaf, als je kunt, je eigen duurzame systeem aan!
Hier helpt Vimes' Boots Principle de rijken weer: ondanks alle financiële steun die ik van jullie allemaal heb gekregen, was er nog best een behoorlijk startbedrag nodig. Dat geeft niks, want ik verdien het terug - sterker nog, de energieprijzen zullen voorlopig blijven stijgen dus met de financiële return on investment zit het helemaal goed. Ook nodig voor het leggen van zonnepanelen op mijn eigen dak was natuurlijk: een eigen dak. Ook hier kreeg ik weer een aardige subsidie van jullie allemaal (hypotheekrente-aftrek, nietwaar?), dus Vimes' Boots marcheren andermaal door mijn straatje.
En dan nog. Op mijn dak paste helaas niet meer dan voor ongeveer 25% van mijn totale huishoudelijke electriciteitsverbruik nodig is. Het komt er nu dus op aan die andere 75% nog terug te dringen.
Daar zal ik later op terug moeten komen. Maar niet volgende week, want dan zet ik mijn rooftocht voort. Ook voor mijn onschuldig uitziende tuintje ben ik kapitaal aan het vergaren dat uit de algemene zak komt. Hoe en wat precies, dat leg ik volgende week uit.

Na deze orgie van zelfzuchtigheid wil ik u, lezer nog even een kleine troost bieden. Die subsidie die ik van u krijg, via de belastingkortingen op fossiele brandstoffen en dergelijke?
Die krijgt u van mij ook, via dezelfde omweg. Belastingen, overheid, bedrijfsleven. IK hou mijn consumptie vrij laag, dus er is een gerede kans dat u van mij méér krijgt dan ik van u.
En?
Waar gebruikt u mijn geld voor? Zonnepanelen of een vliegvakantie?

woensdag 16 mei 2012

Vimes' boots principle

Bij veel mensen leeft het idee dat duurzaamheid duur zou zijn.
Ik heb zelfs een mevrouw gekend wiens idee van humor het was om te spreken over duur-zaam. Ze lachte erbij alsof ze de meest spitsvondige woordspeling maakte sinds de garagehouder zei: uw peugeoo is kapoo, mevrouw.
In plaats van de domste misrekening sinds Chamberlain 'peace in our time' beloofde.
Haar krakkemikkige gevoel voor humor zal ik verder buiten beschouwing laten, hoewel zulke slechte grappen me dieper pijn doen dan ik zeggen kan: die mevrouw heeft zichzelf ook niet gemaakt, en humor kun je nauwelijks leren. Zand erover.
Domme misvattingen, daarentegen, zijn makkelijk te verhelpen.
Duurzaamheid, beste lezer, is niet duur.
Duurzaamheid is zelfs - hou je vast - ontzettend, krankzinnig, ongelooflijk goedkoop.
Vergelijk bijvoorbeeld het gemiddelde inkomen van een Nederlander en, pak 'm beet, een Namibiër.
Vergelijk daarna hun ecologische voetafdruk.
Valt je iets op? Die Namibiër vervuilt niet zo gek veel, he? En hij maakt ook niet zoveel olie op. En hij vist de zee niet leeg. Hij leeft veel duurzamer dan wij, op een veel kleiner budget - gek he?
Wat die domme mevrouw bedoelde was eigenlijk niet: duurzaam is duur. Wat ze bedoelde is: onze Nederlandse levensstijl in stand houden zonder de aarde al te veel te belasten, dat is duur.
Ja.
Allicht is dat duur.
Want het kan eigenlijk niet.
Zonneboilers zijn duur, ja, en hybride auto's ook.
Maar de verwarming lager zetten, en geen auto hebben, dat is dan weer heel goedkoop. En het is nog een heel stuk duurzamer.
In veel huizen is de grootste kostenpost op de energierekening de wasdroger (als er tenminste geen waterbed staat). De wasdroger op groene stroom laten werken, dat doen voornamelijk mensen die geld over hebben. En de kans dat u, lezer, tot die groep behoort is niet buitengewoon waarschijnlijk, gezien het economische klimaat.
Gelukkig is er ook een andere manier om de was duurzaam te drogen.
Het wasrekje.
Wie in het gelukkige bezit is van een huis met een trapgat, heeft eigenlijk een gratis wasdroger. Warme lucht stijgt namelijk. Ze gaat op weg naar boven. En wie komt ze halverwege tegen? Inderdaad: de was.
Nadeel van deze methode is wel dat de luchtvochtigheid in je huis behoorlijk kan toenemen. Wel een raampje openzetten op de bovenverdieping, dus, want vochtige lucht is niet alleen slecht voor je hout en pleisterwerk, ze is ook moeilijker te verwarmen. En dan stook je wat je wint in het trapgat weer weg op zolder.
De allermooiste oplossing is: de was buiten drogen. Aan het balkon, in de tuin, uit het raam desnoods. Dat kan alleen als het weer goed is. Liefst een beetje warm, een zacht windje erbij misschien, maar dan heb je ook wat. Niet alleen heb je dan geen last van vocht in huis, je hebt bovendien was die heel erg lekker fris ruikt.
Dat is, net als de ruwe tanden van vorige week, een andere lente-sensatie: de geur van wasgoed dat in de wind te drogen heeft gehangen. Daar valt door de wasmiddelfabrikanten niet tegenop te parfumeren.
Tenzij je vlak naast een snelweg woont, natuurlijk.
Dan ruikt je was naar snelweg. En er zitten roetdeeltjes in. Dan wordt je was een gezondheidsrisico.
Hier zien we Vimes' Boots Principle in werking.
Die term kent u niet, want ik heb hem net bedacht. Hij verwijst naar de Sam Vimes, de door Terry Pratchett bedachte politiecommandant. Die trouwt met een hertogin. Na een aantal jaren realiseert hij zich opeens dat hij al tein jaar geen nieuwe laarzen heeft gekocht. Zijn rijke echtgenote heeft hem namelijk een paar nieuwe, stevige, dure laarzen gegeven.
Van zijn politiesalaris kon hij alleen slechtzittende, inferieure, goedkope laarzen betalen. Die kostten twee dollar. Zijn nieuwe laarzen wel acht.
De oude laarzen gingen een jaar mee. Zijn nieuwe laarzen zes.
Kortom: hij bespaarde vier dollar als hij duurdere laarzen kocht. En ze zaten ook nog eens lekkerder.
Dit principe - rijken hebben uiteindelijk lagere onkosten dan armen, en ze krijgen er meer kwaliteit voor terug - zien we ook bij het wasrekje.
Wie een huis heeft met een trapgat kan zijn was binnenshuis uithangen zonder dat het veelgebruikte ruimte in beslag neemt. Wie een tuin of een balkon heeft, en in een goede buurt woont, kan zijn was buiten hangen. Die heeft helemaal geen extra kosten, en zijn was ruikt bovendien het lekkerst.
Wie op een flatje vlak bij een snelweg woont - tja, die zal een droger moeten kopen.
Toen ik zelf nog op een flat woonde (re3at5ef ver weg van alle snelwegen en zware industrie), moest ik de was altijd op een rek hangen dat op het balkon stond. Het mocht, van de Vereniging van Eigenaren, niet buiten het balkon.
Want anders ging de buurt achteruit. Dan kon iedereen namelijk zien dat we geen wasdrogers hadden.
Dat soort regels kom je op veel plaatsen tegen.
Maar niet in de duurdere wijken. Daar mag je was gewoon buiten hangen, want iedereen gaat ervan uit dat men in rijke wijken makkelijk een wasdroger zou kunnen betalen.
Dus dat hoef je niet meer te bewijzen.
Zo zijn de welgestelden wederom het goedkoopst uit. En hun was ruikt ook nog eens lekkerder.
Naar lente.

woensdag 9 mei 2012

De ruwe tanden van de lente

Duurzaamheid – het wil maar geen trend worden. Een van de redenen daarvoor is, vermoed ik, gelegen in het feit dat het woord op teveel verschillende vlaggetjes staat. Vlaggetjes waarachter heel verschillende colonnes marcheren, op heel verschillende marsmuziek en in heel verschillende uniformen, en uiteindelijk zelfs in heel verschillende richtingen.
Daar is bijvoorbeeld de colonne der doemdenkers, een luidruchtige phalanx die niet aflaat ons te wijzen op de aanstaande gevaren van Peak Oil, klimaatverandering, de schier leeggeviste oceanen met hun dead zones en plastic-afval-eilanden, de dreigende tekorten aan zoet water en zeldzame aardmetalen en – nou ja, elke doemdenker heeft zo zijn eigen doemscenario (de in de jaren '80 zo populaire kernoorlog maakt in deze kringen een verrassende comeback, meestal als 'uit de hand gelopen conflict tussen India en China om drinkwater'. Dit scenario lijkt overigens te veronderstellen dat niet-blanken op het suicidale af irrationeel zijn en niet in aanraking zouden mogen komen met gevaarlijke technologie. Er bevindt zich een kleine maar buitengewoon onfrisse brigade in de colonne der doemdenkers.)
In een aan de doemdenkers radicaal tegengestelde richting marcheren de 'Bright Greens', die liever nadenken over oplossingen dan over problemen. Die oplossingen moeten doorgaans komen van de technologie: verbeterde zonnecellen, elektrische auto's, gentechnologie, bio-engineering en natuurlijk de panacee die al decennia lang bijna binnen handbereik is: de koude kernfusie. Ook wordt er veel verwacht van computers: Smart Dit en Smart Dat zullen het verschil moeten maken.
De enige min of meer groene partij die ons land arm is, heeft zich stevig midden in dit kamp gepositioneerd. Vanuit electoraal standpunt begrijpelijk: de boodschap 'we gaan duurzaam groeien' zal ongetwijfeld meer stemmen opleveren dan 'we gaan goedschiks of kwaadschiks krimpen'.
Kennelijk leest deze partij, die in haar geschiedenis altijd geïnspireerd is geweest door het Rome-rapport 'Grenzen aan de Groei', datzelfde rapport nu als 'kuch-kuch, kuch, kuch, Groei'.
Dan is er nog de colonne van de hippe duurzamen, voor wie de bakfiets meer een lifestyle-keuze dan een serieus vervoermiddel is.
En er is de goed bewapende troepenmacht van het bedrijfsleven, die met steeds luider tromgeroffel haar eigen duurzaamheid verkondigt. Doorgaans bestaan de wapens van deze colonne voornamelijk uit trommels, versterkers en megafoons. Het woord duurzaamheid ligt vooraan in hun blaffende bek, maar als het op bijten aankomt geven ze helaas zelden thuis.
Een mooi voorbeeld van de bij deze groep populaire strategie 'greenwashing' zag ik ooit op een pak melk. Daar stond te lezen: 'Dit is een duurzame verpakking. Je kunt hem recyclen door hem in de open haard te gooien en zo je huis te verwarmen.'
Je kunt maar lef hebben, als melkpakkenfabrikant.
(Voor wie het zich afvraagt: de binnenkant van dit melkpak had gewoon de gebruikelijke plastic coating)
Als er zoveel verschillende stemmen klinken, kan het niet anders of er dient zich een volgende colonne aan: die der verwarden. Gelieve 'verward' hier te beschouwen als een eufemisme. Wie wel eens iemand heeft horen beweren: 'Ik leef heel duurzaam want mijn auto is al twintig jaar oud', die weet wat ik bedoel.
Al deze colonnes bestaan weer uit brigades en detachementen, voorposten en achterhoedes die het hartgrondig met elkaar oneens zijn. Ze hebben ook allemaal argumenten, de een wat overtuigender dan de ander, maar toch: het is een hels karwei om uit te zoeken wie er gelijk heeft.
Een groep waar ik mij in elk geval niet toe zal rekenen is de colonne die het einde der beschaving stiekem als een zegen beschouwt. Dat zijn de mensen die eigenlijk toch al vonden dat het niet helemaal de goede kant op ging met dat hele beschavingsgedoe, en die alle eerder genoemde problemen (peak oil, klimaat, oceanen etcetera ad nauseam) voornamelijk beschouwen als de krachtige hand van Moeder Natuur, die ons vastgrijpt om ons eens te meer aan haar weelderige boezem te drukken, en nu voorgoed.
Deze groep gaat er stiekem van uit dat - als wij maar eenmaal leven volgens het Ritme van de Seizoenen - en als wij nemen wat de Aarde ons geeft, in plaats van te nemen wat we nodig denken te hebben – dat wij dan vanzelf gelukkiger en gezonder zullen worden.
Op het thema 'gezondheid' zal ik voorlopig niet ingaan, maar ik kan nu alvast wel zeggen dat deze leiden behoorlijk ongelijk hebben.
Over het Ritme van de Seizoenen kan ik kort zijn: dat deugt niet. In de winter en de vroege lente is er gewoon nergens vers voedsel te vinden. Ja, in Kenia, en Nieuw Zeeland en dat soort locaties, daar vind je sperzieboontjes en tomaten en paprika's en courgettes en, en, en je kunt het zo gek niet verzinnen. Dat ligt dus ook allemaal in de Nederlandse supermarkten (zolang het vliegverkeer nog vliegt).
Maar als we van Nederlandse verswaren afhankelijk zouden zijn (bijvoorbeeld om dat de kerosine op begon te raken), dan zou het van januari (laatste veldsla) tot april (eerste spinazie) armoe troef zijn. Één en al pompoenen, bonen en aardappelen. Kan heel lekker zijn, maar eind maart, begin april is het allemaal niet meer op zijn best. Of domweg op.
Dan komt daar de nieuwe oogst!
Waar je ook niet bepaald mollig van wordt.
Want wat heb ik de afgelopen twee weken uit mijn tuintje kunnen halen: spinazie en rabarber.
Verser dan ik mijn spinazie vandaag gegeten heb, kun je het nergens krijgen.
In totaal heb ik van een halve vierkante meter (was eerst een hele, maar muizen hebben zich aan mijn jonge aanplant vergrepen) ruim anderhalve kilo gehaald. Niet onaardig, maar als alles wat er tussen jou en een zekere hongerdood instaat 15 ons spinazie is...
De rabarber gaat daar nog ruim overheen, natuurlijk, maar daar moet je van houden. Doen mijn kinderen niet.
Ik wel, al is er één ding dat mij tegenstaat aan rabarber: je voelt het zo aan je tanden, als je ervan eet. Ze gaan ruw aanvoelen, als je er met je tong langs gaat. Alsof het bovenste laagje glazuur van je tanden is weggebeten.
En dat is het ook.
De boosdoener is oxaalzuur, een licht giftig stofje dat niet alleen in rabarber zit, maar ook in... spinazie! Zo merkte ik vandaag.
Kennelijk is oxaalzuur een stofje dat buitengewoon goed past bij de vroege lente. Nou lekker dan. Met je Ritme der Seizoenen.
Zolang je er niet teveel van eet kan het goedje overigens geen kwaad, hoor. Je moet er heel wat van naar binnen werken om last te krijgen van de laxerende werking.
Degenen die zeggen: “maar ik krijg er ook veel van binnen, want ik leef keurig volgens het Ritme der Seizoenen” hoeven ook nog niet in paniek te raken; oxaalzuur is heel makkelijk te neutraliseren. Je voegt gewoon een theelepeltje zuiver krijt toe aan je pannetje met groente. Zuiver krijt haal je bij de betere natuurdrogist – niet zomaar een handje vol schoolbordkrijt nemen! Daar zitten doorgaans niet alleen kleurstoffen in, maar ook allerlei goedjes die moeten voorkomen dat het krijtje teveel stof afgeeft. Dat wil je allemaal niet in je eten.
Van oxaalzuur gaat de boel gemeen schuimen, dat ziet er onaangenaam chemisch uit, maar de gedachte 'dit hadden ook mijn tanden kunnen zijn' maakt veel goed.
Soms moet Moeder Natuur gewoon een chemische schop onder haar kont hebben.

dinsdag 1 mei 2012

Ongezonde groei is ook groei. Nietwaar?

Is de mens een kind van moeder natuur? Of haar vijand? Geen van beide, zou ik zeggen. Nog afgezien van de vraag of moeder natuur wel bestaat, lijken allebei de beweringen een grote misrekening wat schaal betreft. De natuur is, laten we zeggen, vrij groot (hoe je haar ook definieert. In de meest ruime definitie heeft ze een doorsnede van 46 miljard lichtjaar, in de meest nauwe definitie heeft ze nog altijd een gewicht van zo'n 1110 miljard ton.) De mensheid is, in verhouding, best wel klein. Te zeggen dat de mens een vijand is van de natuur, of juist een kind van de natuur, een slaaf of heerser of wat dan ook van de natuur, is vergelijkbaar met de bewering dat één enkele eekhoorn de vijand (vriend, slaaf, meester etc.) zou kunnen zijn van een heel bos. Je zou kunnen tegenwerpen dat de mens, door zijn grote verstandelijke vermogens, een bijzondere plaats inneemt binnen de natuur. Dat zou te vergelijken zijn met diezelfde eekhoorn, die vindt dat hij een bijzondere plaats inneemt in het bos omdat hij zo buitengewoon goed is in het verzamelen van nootjes. Niet alleen zijn wij zo veel kleiner dan de natuur dat we tegen haar geen kans zouden maken, maar we zijn ook een deel van de natuur, zoals een eekhoorn deel is van zijn bos. Een van de nadelen van het veronderstellen van een anthropomorfe, dat wil zeggen mensvormige natuur is dat het deze verhouding onder het tapijt veegt. Als we spreken over 'moeder natuur', of als we aan de natuur wijsheid, voorliefdes of bedoelingen toeschrijven, maken we haar menselijk en daarmee klein. Zelfs wie zegt: 'Moeder natuur is zo groot en zo oppermachtig, dat ze ons zou kunnen vernietigen door het alleen maar te willen,' zelfs wie dát zegt maakt zich schuldig aan hoogmoed. Te denken dat de natuur al dan niet iets van ons zou willen! Het zal de natuur volkomen worst wezen wat wij uitspoken. Wat wij doen is nooit tegen de natuur. Ten eerste omdat 'de natuur' niet bestaat en ten tweede omdat alles wij, met alles wat we doen, deel uitmaken van de natuur. Een chimpansee die een stokje gebruikt om naar mieren te zoeken, die doet niets onnatuurlijks. Een mens die een deeltjesversneller gebruikt om naar Higgs-bosonen te zoeken ook niet. Als alles wat wij doen dan volkomen natuurlijk is, waarom zouden we dan nog een verschil maken tussen biologische en gewone landbouw? Als het vervaardigen en gebruiken van kunstmest of landbouwgif een natuurlijk proces is, wat is er dan op tegen? Die vraag is makkelijk te beantwoorden. Voor het maken van kunstmest is fosfaat nodig. Dat is een eindige grondstof die al aardig opraakt. Bovendien bevat kunstmest naast fosfor vooral stikstof en kalium. Elke plant heeft die drie stoffen nodig in stevige hoeveelheden, en daarom groeien planten zo welig als je er kunstmest op gooit. Maar, helaas helaas, planten hebben méér nodig. Bijvoorbeeld minuscule hoeveelheden ijzer, zink, koper en ook enkele exotischer bewoners van het Periodiek Systeem zoals mangaan, borium en molybdeen. De gevolgen laten zich raden. Met kunstmest sporen we de planten aan te groeien. Daarvoor moeten ze allerlei sporenelementen uit de bodem wegslurpen. Het volgende jaar gooien we er weer kunstmest op, zodat er weer nieuwe voorraden fosfor, kalium en stikstof beschikbaar komen. Maar de voorraden mangaan en zink, die al uitgeput zijn door de weelderige groei van het vorige jaar, hebben we niet aangevuld. Na een paar jaar is gezonde plantengroei onmogelijk geworden. Geeft niets. Ongezonde groei is ook groei, nietwaar? Je kostbare plantjes zijn wel wat minder gezond, en dus bevattelijker voor ziekten en plaagdieren, maar goed, daartegen zijn allerlei handige gifstoffen in de handel. Heel fijn. Het eind van het liedje is dat je grond overhoudt die volledig ontdaan is van de belangrijke sporenelementen (koper, molybdeen etc.), maar die er wel iets voor in de plaats heeft gekregen: restanten van allerhande soorten vergif. Doe dat op zoveel mogelijk landbouwgronden over de hele wereld, en je bent hard op weg naar een voedselcrisis. Liefhebbers van moeder natuur zijn geneigd het menselijk ingrijpen in het algemeen, en de technologie in het bijzonder, de schuld te geven van deze heilloze cyclus. Daar tegenover staat dat we de cyclus pas zijn gaan begrijpen toen we, dankzij ons technologisch vernuft, het bestaan van mangaan en molybdeen achterhaald hadden en de rol van deze en alle andere sporenelementen (ijzer, zink, magnesium etc.) begonnen te doorgronden. Hoera voor de technologie dus: zij heeft ons geleerd dat de methoden van de gangbare landbouw radicaal overboord dienen te worden gegooid. Niet omdat ze onnatuurlijk zijn, maar omdat ze buitengewoon onverstandig zijn. Hoe staat het inmiddels met de technologische ingreep in mijn eigen tuin? Het is maar een zeer eenvoudig stukje technologie, de muizenval, maar het werkt naar behoren. Na een half uur was de stand al één nul in het nadeel van de muizen. Dat tempo hielden we echter niet vast: inmiddels staat het vier nul voor mij. De muizen laten zich niet meer zien. Wat niet wil zeggen dat ze er niet zijn: ik heb het sterke vermoeden dat ze inmiddels aan de spruiten van de koolrabi zijn begonnen. De deugnieten. Gelukkig was ik de koolrabi aan het voorplanten in potjes, dus die kan ik mooi in veiligheid brengen terwijl ik nog een paar knagers naar de eeuwige kaasvelden help. Dat laatste moet overigens soms handmatig gebeuren: in een muizenval, zo heb ik tot mijn afschuw ontdekt, gaat een muis niet in één keer dood. Van de week vond ik een val met een levend, en tamelijk wanhopig, muisje erin. Ik schoof de val met prooi en al achter een plank. Met dat soort nare toestanden hoefde ik niet geconfronteerd te worden, dank je hartelijk. Muizen zijn niet erg stressbestendig, en ik wist dat het diertje redelijk snel een hartaanval zou krijgen en dan zou het aan alle aardse zorgen ontstegen zijn. Laat moeder natuur het vuile werk maar doen! Al snel keerde ik echter op mijn schreden terug. Ik had die toestanden toch zelf veroorzaakt? Nou dan! Dan was het ook mijn taak om te zorgen dat ze niet langer zouden duren dan strikt noodzakelijk. Ik pakte het dichtstbijzijnde tuininstrument en met een flinke tik was het diertje uit zijn lijden verlost. Een klein beetje misselijk was ik er wel van. Maar men dient verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen handelen. Volgende week een vrolijker onderwerp: de eerste oogst!