zondag 9 december 2012

De ijskoude feiten

Uitgerekend nu de winter hier serieus werk begint te leveren, komt de bodem van mijn houtvoorraad in zicht. Ik had 2,5 kuub bemachtigd; dat zou genoeg moeten zijn om de lente te halen, hoopte ik. Maar nee. Ik ben blij als ik nog een paar houtjes heb op 31 december, zodat ik er in elk geval in 2012 warmpjes bij zal hebben gezeten.
Op 1 januari ga ik niet plotseling dood van de kou, natuurlijk, want dan zet ik gewoon de verwarming aan. Dat doe ik nu ook al, op dagen dat mijn gezin wel thuis is, maar ik niet; ik ben de stoker bij ons thuis, en als ik de kachel niet aanmaak, dan komt er geen vuur in. Niet dat ik de enige ben die met zijn vingers aan de kachel mag zitten, maar, zoals eerder gezegd: hout stoken is een vaardigheid die je moet leren, en ik heb tot nu toe niet de tijd genomen die vaardigheid door te geven aan mijn gezin.
Fijn dus, dat er verwarming is. Als mijn hout op is, kan ik gewoon beginnen gas te verstoken.
Maar dat wil ik liever niet, want A) gas is een eindige, fossiele brandstof die je spaarzaam zou moeten gebruiken, en voor nuttiger dingen dan de mogelijkheid om in een T-shirt door je huis te dansen terwijl het buiten vriest. En B) het klimaat verandert al genoeg. Trouwens, C: gas kost geld. Ik heb e.e.a. niet precies uitgerekend, maar ik ga ervan uit dat Vimes' Boots Principle ook hier weer opgeld doet, en dat de goedkoopste optie die is, die alleen gebruikt kan worden door het welgesteldere deel van onze bevolking: het deel dat een huis heeft waarin men een houtkachel of open haard kan installeren. En een tuin om 5 kuub hout in op te slaan (dat kan natuurlijk ook in een kelderbox, maar dan moet je wel héél zeker weten dat je houtvoorraad geheel vrij is van boktorren en dergelijk ongedierte). Je kunt wel elke keer dat je wilt stoken een zakje haardhout halen bij de Gamma, maar dat hout is niet alleen schreeuwend duur, het is bovendien in een oven gedroogd, waarmee meteen een eind wordt gemaakt aan iedere mogelijke vorm van energie-efficiëntie.
Trouwens, als je zakjes hout van 10 kilo moet halen bij bouwmarkt of benzinepomp, dan fiets je je het leplazerus, want de hoeveelheden die je moet verstoken om één kamer te verwarmen, die zijn niet mals.
Dat is een groot voordeel van die open haard: dat je aan je spierballen voelt hoeveel energie je verbruikt. Je weet wel dat we teveel verstoken met z'n allen, en dat dat waarschijnlijk ook geldt voor jou persoonlijk, maar pas als je zelf iedere kilojoule hebt versjouwd word je echt met je neus op de ijskoude feiten gedrukt.
Draai ik er in een seizoen zóveel geboomte doorheen? En als ik alles op gas zou stoken, zou ik dan niet een vergelijkbare hoeveelheid prehistorische groeisels verbruiken?
Daar word je wel even stil van.
En die stilte kan ik mooi gebruiken om een bekentenis te doen: Mijn muren zijn niet geïsoleerd. Mijn ramen wel, en mijn vloer, en mijn dak, maar toen het erop aankwam de muren te doen, keek in nog eens in mijn portemonnee en ik dacht: mwoah, nu maar even niet, dat gaat me minstens 2000 euro kosten, ik doe dat volgend jaar wel, of het jaar daarna, als ik het geld heb.
Maar als je voor de zevende keer op één zondag een emmer hout uit de opslag aan het halen bent, dan drijven je gedachten onwillekeurig in de richting: ach, tweeduizend euro, hoeveel is dat nou? Afgezet tegen, bijvoorbeeld, drie keer minder (per dag) de vrieskou in lopen om hout te halen?
Gelooft u mij: de investering lijkt opeens een stuk minder onoverkomelijk.
Om nog maar te zwijgen van enkele andere simpele trucs om warm te blijven zonder te stoken, waarover ik volgende week te spreken zal komen.

zondag 25 november 2012

Kiwi-RSI

Wij mensapen delen een genetische afwijking met fruitvleermuizen en cavia's: we kunnen in onze lichamen geen ascorbinezuur aanmaken. En zonder A-Scorbinezuur krijgen we last van Scorbus, oftewel scheurbuik, want ascorbinezuur is hetzelfde goedje als vitamine C. Jazeker, lezer: alle andere dieren en planten kunnen vitamine C maken. Alleen wij, de cavia's en de fruitvleermuisjes niet. Hartelijk dank, moeder Natuur, dat heeft u weer fijn geregeld!
Gelukkig eet ik graag fruit, dus dat probleem kan opgelost worden.
Al jaren lang staat er dan ook een kiwi-plant te groeien tegen een zuidelijke muur van mijn huis. Een klimplant met mooie, grote bladeren die 's zomers de zon uit de kamer houden en 's winters op een hoopje lekkere mulch liggen te maken. Maar het gaat niet om de bladeren, natuurlijk (hoewel die al twee zeer nuttige dingen doen). Het gaat om de kiwi's.
Welnu: de kiwi-oogst was groot, dit jaar. Kilootje of dertien, van 1 plant.
Dat klinkt goed, maar het levert nogal wat problemen op.
Om te beginnen: de kiwi-plant komt oorspronkelijk uit China, en doe het ook in Nieuw-Zeeland erg goed. Die landen hebben een ander klimaat dan wij. Dus, jammer jammer, in Nederland worden kiwi's niet rijp. Kiwi's moet je oogsten vóór de eerste vorst, en we hadden een vrij vroege nachtvorst dit jaar, dus begin oktober zat ik opeens met dertien kilo onrijpe kiwi's opgescheept.
Nu schijnt het dat je ze in een koele ruimte kunt laten narijpen. Dat komt dan mooi uit, want ik heb een koele ruimte: mijn kelder.
Maar hoe sla je kiwi's op?
Ik dacht: laat ik ze maar eens op stro leggen. Dat was waarschijnlijk een goede gedachte. Aangezien echter een groot deel van de beschikbare vloer- en plankruimte in mijn kelder zou worden ingenomen door dertien netjes op stro uitgespreide kilo's kiwi's kwam ik op het onzalige idee ze te stapelen. In, ik zal het maar eerlijk zeggen, manden en dozen.
Daar liet ik ze anderhalf maandje liggen. Om na te rijpen. Nu weet ik nog van vorig jaar dat kiwi's heel lang in onrijpe toestand blijven, om daarna ineens helemaal zacht en bah-vies te worden. Overrijpe kiwi's daar kun je helemaal niets meer mee.
Onrijpe kiwi's zijn ook geen pretje - keihard en veel te zuur - maar daar is nog iets aan te doen. En dat deed ik dan ook: ik maakte er kiwi-jam van.
Niet van alle dertien kilo, natuurlijk, want nu openbaarde zich de enormiteit van mijn opslagfout. Daar in die dozen was de boel gaan schimmelen. Alleen de bovenste laagjes waren nog bruikbaar. Het merendeel van mijn oogst kon dus linea recta de composthoop op.
Geeft niks, sprak ik met tranen in mijn ogen. Compost is ook fijn.
Al doende leert men. Ik heb al jaren de eigenaardige gewoonte eierdozen niet zomaar weg te gooien. Daar heeft vast nog eens iemand iets aan, denk ik steeds, maar niemand wil ze hebben. Behalve dan ikzelf, volgend jaar. Volgend jaar gaan mijn kiwi's in eierdozen. Kijken of ze het dan nog voor elkaar krijgen te gaan schimmelen!
Ik had dus nog ruim vier kilo kiwi's om jam van te maken.
Genoeg voor 6 kilo jam, want er moet suiker bij anders blijft het te zuur; bovendien werk suiker conserverend (het spul zet een proces van osmose in gang, waardoor bacterieën en schimmels domweg uitdrogen. Dan moet je eigenlijk meer suiker gebruiken, de verhouding moet 1:1 zijn, dus ik heb mijn jam nog even gesteriliseerd: 10 minuten in de oven op 150 graden).
Inmiddels weet ik, beste lezer, dat het echt een rotkarweitje is, Kiwi-jam maken. Eerst moet je namelijk 4 kilo kiwi's schillen. Een kiwi zonder schil is een beetje glibberig, die moet je stevig vasthouden, wat de kans op in-je-vinger-snijden aanmerkelijk vergroot. Daardoor ga je krampachtig schillen; ik kreeg er pijn in mijn pols van. Kiwi-RSI - hoe sneu is dat?
En dan zwijg ik nog van die rottige haartjes die overal aan blijven kleven.
Na het schillen moeten de kiwi's even koken. Liefst zo kort mogelijk. Anders kook je, zo schijnt het, alle vitaminen eruit. En daar was het juist allemaal om begonnen.
Maar als je ze maar kort kookt, dan koken ze niet stuk.
De oplossing, dacht ik bij de eerste pan: gewoon even de vruchten in kleine stukjes snijden.
Dat sta je dus een uur te hannesen. Had ik al vermeld dat kiwi's vrij zuur zijn, en dat je dat gaat voelen, als je er een uurtje met je handen in staat? Nee, he?
Nou, dat is dus zo.
Dus bij de tweede pan dacht ik: ik haal ze gewoon door de rasp. Ik heb een hele prettige rasp, met een soort draaimechaniekje eraan. Ziet eruit als een soort ruimteschip van Star Wars (als die grote zwengels op hun dak hadden gehad). Het ding stamt, net als Star Wars overigens, nog uit de jaren '80. Maar ik bewaak hem als een draak zijn schat, want hij raspt alles.
Behalve kiwi's.
Die krengen slagen erin om zich, in een rasp, opeens van hun meest vezelige kant te laten zien. Zacht en toch draderig.
Dus uiteindelijk de staafmixer erop gezet - zeer tegen mijn zin (want gemakzuchtig en kost elektriciteit - moreel gesproken een dodelijke combinatie).
De gestaafmixerde jam kostte minder tijd. Maar was ook minder lekker.
En bovendien schijnen het in jam nu juist de min of meer heel gebleven stukjes te zijn, die niet alleen de smaak, maar ook het vitamine-C gehalte het best intact laten.
Volgend jaar dus: de kiwi's in eierdozen, en jam met stukjes erin.
En ook: de kiwi's dunnen als ze nog aan de plant hangen. Dan blijven ze groter, schijnt het, en dat scheelt met schillen.
Want ook al is het nog zo'n rotkarwei, die kiwi-jam hou ik d'r in.
Lekker spul!

zondag 18 november 2012

Verhalen van de Val 2: koudwatervrees

In mijn vorige post vertelde ik iets over het idee achter het onlangs uitgekomen boek After Oil.
Vandaag kom ik toe aan het meest interessante deel van het verhaal: de problemen met de publicatie van het boek.
John Michael Greer, de bedenker en redacteur van het boek, heeft al een hele reeks andere boeken op zijn naam staan, voornamelijk non-fictie. Het meeste daarvan is verschenen bij zijn vaste uitgever, en die was van zins ook deze verzameling korte verhalen uit te geven. Het is een uitgever die veel werk in het New Age-segment publiceert, en een hij dacht dat de bundel goed in zijn fonds zou passen. Een bundel verhalen over een toekomst, waar de technologie het moest laten afweten wegens gebrek aan goedkope energie? Dat paste precies bij zijn lezerspubliek!
Hoopte hij.
In New Age kringen is het niet ongebruikelijk om te denken Techniek=slecht, Natuur=goed, plus: de mogelijkheden van de menselijke geest zijn eindeloos en als straks de Grote Ommekeer komt (en die komt onvermijdelijk, zo onvermijdelijk zelfs dat we geen vinger hoeven uit te steken om de zaak op gang te helpen) en iedereen lekker met ons mee new-aget, nou, dan zul je eens wat beleven!
Ha, dacht de uitgever, die verhalen zitten wel snor: minder techniek betekent meer natuur en natuur is goed, dus dan is de Grote Ommekeer een feit. En verhalen over hoe mooi het leven zal zijn na de Grote Ommekeer, daar lust mijn publiek wel pap van!
Helaas.
Alle schrijvers uit de bundel gingen ervan uit dat de menselijke aard niet plotseling zal veranderen als hij armer, zieker en hongeriger wordt. En dat de westerse mens zonder toegang tot schier onbeperkte energiebronnen een stuk armer, zieker en hongeriger zal worden, dat ligt voor de hand.
Die opvatting levert een reeks verhalen op waarin de wereld veranderd is, maar de menselijke aard niet; verhalen waarin mensen liefhebben en ruziën, hopen en vrezen, net als ze nu doen. Het enige verschil is dat ze leven in een wereld in verval, wat in de meeste verhalen een extra stress-factor oplevert.
In een boze, teleurgestelde e-mail liet de uitgever weten dat het feest niet doorging. Hij had gehoopt op verhalen waarin mensen 'psychische antennes' zouden ontwikkelen, of 'een nieuwe verwantschap scheppen met planten en dieren en watermoleculen', of 'op zijn minst steencirkels oprichten en langs leylijnen reizen'.
Sommige verhalen in After Oil zijn hoopvol, andere somber. Sommige zijn literair, andere zijn meer van het who-done-it -achtige soort. Er zitten goede en minder goede tussen - dat heb je met bundels.
Maar dat kon de uitgever niet schelen. Hij zei niet: ik vind de verhalen niet goed. Hij zei trouwens ook niet dat hij ze wél goed vond. Het hele idee van kwaliteit interesseerde hem niet. Hij wilde blije verhalen over de heerlijke wereld die ons zal geworden als de olie op is, en het klimaat veranderd.
Het is om droevig van te worden. Heb je eens iemand die inziet dat de boel aan het opraken is, blijkt het een malloot die hoopt dat we van auto's en agro-industrie zullen overstappen op, en ik citeer, 'Deva's en Salamanders'. En dat we je en jij zeggen tegen watermoleculen.
Vrijwel geen enkele andere uitgever wilde zijn vingers branden aan een boek dat ingaat tegen het gangbare vooruitgangsdenken. Uiteindelijk werd het een minuscuul uitgeverijtje. Méér bleek niet mogelijk in het land van de onbegrensde mogelijkheden.

Bij wijze van contrast wil ik even wijzen op dit boek. Het boek speelt in een wereld die doet denken aan die ui After Oil - sterker nog: in mijn verhaal in After Oil wordt de voorgeschiedenis verteld van een personage uit De Glanzende Stad - maar mijn vaste uitgever gebruikt zijn fonds niet om een ideologie te pushen. Die kijkt alleen of hij een boek goed vindt. En als een boek mooi is, maar het erin verwoorde wereldbeeld is aan de sombere kant voor een kinderboek, dan is dat geen reden om het boek te laten verkommeren. Dan wordt er een list verzonnen. In dit geval werd de beste illustratrice van Nederland gevraagd om er kleurenillustraties bij te maken. Kijk, zo kan het ook.

Iedereen die serieus over duurzaamheid denkt, weet dat onze hele cultuur moet veranderen.
De stapjes zijn klein.

dinsdag 6 november 2012

Verhalen van de Val

Eigenlijk was het mijn bedoeling verder te gaan met mijn verhalen over gezellige duurzaamheid, maar mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar (13 kilo, aan één plant, en er zat niet één rijpe tussen...) zal tot een volgende keer moeten wachten. Zeer passend, want de strijd is nog niet gestreden, maar dat is niet de reden voor dit uitstel.
Ik wil deze week iets vertellen over de moeilijkheden die je ondervindt als je wilt spreken over de gevolgen wan de vele crises waar we ons in bevinden.
Daar kun je vele, vele pagina's mee vullen maar dat ga ik vandaag niet doen want, ik zal het maar meteen eerlijk zeggen, ik heb een boek te pluggen. En de perikelen rond de publicatie van dat boek zijn zowel komisch als leerzaam.
Het gaat om After Oil, een collectie toekomstverhalen over de wereld na Peak Oil. De samensteller, John Michael Greer, schrijft een veelgelezen blog over Peak Oil en realiseerde zich: ik kan wel bezig blijven de feiten te vermelden, maar dat is niet voldoende. De mens heeft, om zich een beeld van de wereld te vormen, naast feiten ook verhalen nodig.
Nu zijn er verschillende verhalen gangbaar over de toekomst. De verhalen die in onze samenleving (nog) dominant zijn gaan doorgaans uit van een voortdurende vooruitgang. Of het nu over technologie, economie of moraal gaat, in de meeste verhalen speelt de gedachte dat we nu verder zijn dan we vroeger waren, en dat we in de toekomst nog verder zullen komen, een rol op de achtergrond. Of, als het verhalen over de toekomst zijn, op de voorgrond.
Een andere sterke grondslag is die van de apocalyps, de ineenstorting. Een gedacht die zijn populariteit voor een groot deel aan het christendom te danken heeft, maar die ook omarmd wordt door veel mensen die zich bezig houden met klimaatverandering, Peak Oil etc.
Deze beide ideeën kunnen ons niet behulpzaam zijn bij de uitdagingen waar we ons voor gesteld zien. Het eerste soort verhalen wekt de gedachte: vooruitgang is onvermijdelijk en 'ze' zullen wel een oplossing vinden voor dat klimaat-en-olie dingetje. Het eerste probleem is dat er, bij navraag, niemand lid lijkt te zijn van de club die bekend staat als 'ze'. Het tweede probleem is dat er geen oplossing is voor het klimaat-en-olie dingetje, althans geen oplossing die je kunt aanduiden met het woord 'vooruitgang'.
Het tweede soort verhalen werkt verlammend: er is geen oplossing, er staan ons verschrikkelijke rampen te wachten; vandaag of morgen kan het opeens allemaal over zijn en er is niets wat we daartegen kunnen doen.
Van dergelijke gedachten krijg je niet echt zin de handen uit de mouwen te steken. Bovendien is het onzin. Apocalypsen komen in de geschiedenis niet voor. Van de val van het Romeinse rijk (Historici zijn het er niet over eens wanneer die plaats vond: tussen de tweede en de vijfde eeuw? Van 234 tot 1452? Het enige wat ze allemaal zullen beamen is: het was bepaald niet in één klap voorbij) tot het uitsterven van de dinosauriërs (die helemaal niet uitgestorven zijn, maar in mijn achtertuin wonen onder schuilnamen als 'koolmees' en 'Vlaamse Gaai'): al die ineenstortingen hebben gemeen dat ze vele generaties duurden. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat ook onze samenleving gestaag achteruit zal gaan - eeuwenlang.
En daar hebben we bijna geen verhalen over. Wat jammer is, want de verhalen die ons aanspreken geven ons een idee over de wereld waarin we willen leven, of een manier waarop we ons leven willen vormgeven.
Daarom leek het meneer Greer verstandig om een verhalenbundel samen te stellen met verhalen uit een toekomst waarin alles gestaag achteruit gaat. Dat werd de bundel After Oil, waarin overigens mijn eerste Engelstalige verhaal is opgenomen (u dacht toch niet dat ik zoveel woorden zou wijden aan een boek waar ik niet in sta, of wel?).
Het was mijn bedoeling omstandig uit de doeken te doen wat de problemen waren bij het publiceren van dat boek, en waarom het uiteindelijk bij een minuscuul en zeer obscuur uitgeverijtje terecht is gekomen, en bij wijze van contrast nog even te wijzen op een ander, verwant boek dat geen perikelen ondervond maar, onder andere dankzij de geweldigheid van mijn Nederlandse uitgever, moeiteloos gepubliceerd werd, maar dit alles moet wachten tot volgende week.
En daarna, dat beloof ik, volgt het epos van mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar.

zaterdag 27 oktober 2012

Gezellig duurzaam, deel 3: Kopje thee

Soms gebeuren dingen in precies de juiste volgorde.
Een kennis vertelde me dat een waterkoker minder energie gebruikt dan een fluitketel, en nog geen week later gaf mijn fluitketel de geest.
Hoe, zo zult u zich misschien afvragen - in ieder geval stond ik het mij af te vragen, met luide stem en een taalgebruik dat mij waarschijnlijk in problemen zou brengen met de Schepper, als zo'n personage bestond en tijd had om zich druk te maken over enkele haastige en emotionele woorden in mijn keuken - hoe kan een fluitketel nou de geest geven? Er zit niet echt wat je noemt hoogwaardige technologie in verwerkt. Een ijzeren vat met een handvat en een fluitje, dat is het wel zo'n beetje. En aangezien je het fluitje, met een beetje goede wil, nog zou kunnen omschrijven als 'Het meest technologisch ingewikkelde deel van de fluitketel' is dan waarschijnlijk het eerste wat er kapot gaat, niet?
Nee dus. Dingen gaan ook nooit eens een keer zoals je verwacht. Het was het handvat. Dat was een houten handvat, en we kunnen ons afvragen hoe verstandig het is van de HEMA om een voorwerp, dat op het vuur geplaatst moet worden, te voorzien van houten onderdelen.
Kennelijk werd een deel van de warmte, die ik in mijn kopjes thee investeerde, gebruikt voor het vernachelen van mijn handvat. Zonde en jammer. Misschien zat er toch iets in die opmerking van mijn kennis, dat fluitketels meer energie verbruiken dan waterkokers?
Een rondje googlen leverde mij de gevraagde informatie. Waterkokers en fluitketels, dat maakt maar weinig uit. 0,022 kilowattuur per liter, ongeveer. In het voordeel van de fluitketel, dat dan weer wel.
MAARRRR duurzaamheid is zelden simpel. (Als u dacht dat dat van die 0,022 KwH/Liter simpel was, tenminste - ik ben zo vrij geweest de energiekosten voor het uitzoeken van dit feitje buiten beschouwing te laten. Googlen kost meer energie dan u denkt...)
Er zijn nog een paar factoren in het spel.
Kalk, bijvoorbeeld.
Wie water verwarmt, krijgt kalkaanslag. En de kalklaag die zich ontwikkelt in koker of ketel, wordt méé verwarmd als u water wilt koken. Regelmatig ontkalken bespaart dus energie (hoe vaak u moet ontkalken om de juiste balans te vinden tussen energiezuiniger koken enerzijds, en het besparen op azijn, die ook weer energie kost om te produceren en vervoeren, anderzijds - dat mag u lekker zelf uitrekenen. Ik ben gekke Henkie niet). Kalk in een koker valt eerder op dan kalk in een ketel, dus dat regelmatige ontkalken doe je eerder met een waterkoker. Of je moet ergens opschrijven hoe vaak je thee zet, en dan na elke vijftig keer (ik noem maar wat) netjes ontkalken.
Daarbij komt: veel waterkokers hebben een ruitje waardoor je precies kunt zien hoeveel water je aan het verwarmen bent. Fluitketels hebben dat niet. Daar moet je op het gevoel mee werken, en dat wil zeggen dat je regelmatig méér water verwarmt dan je nodig hebt. Of je moet een maatbeker strategisch tussen je kraan en je fornuis plaatsen.
Bovendien, en hier zit de echte winst, drinken wij thuis vaak groene thee. En veel van de betere groene thee-soorten dient met te zetten met water van 80 of zelfs 70 graden (bijvoorbeeld, respectievelijk, Lung Ching of Pi Lo Chun). Water verwarmen tot 80 graden kost, natuurlijk, veel minder energie dan doorgaan tot het kookpunt. Het is veel en veel makkelijker om dit verschil in te schatten bij een waterkoker dan bij zo'n potdichte fluitketel. (Ik gebruik zelf een vloeistofthermometer, maar ik ben dan ook een thee-purist. Lung Ching gezet op 100 of zelfs 90 graden is gewoon niet te zuipen). Je kunt ook een koker kopen waarvan je de temperatuur kunt instellen, al zijn die, zo heb ik inmiddels helaas ondervonden, niet altijd even betrouwbaar.
Kortom: op primaire prestaties legt de waterkoker het nét af tegen de fluitketel. Maar op secundaire prestaties (ontkalken, niet meer water verwarmen dan nodig, verwarmen tot onder het kookpunt) is een waterkoker veel mákkelijker in het gebruik.
Nu kun je zeggen: doe dan wat meer extra moeite voor die 0,022 KwH/L. Wil je nou duurzaam leven of niet!?
Maar als we de menselijke natuur in aanmerking nemen is het verstandig om te zeggen: neem lekker die waterkoker. Dan doen al onze natuurlijke, en op zichzelf domme en/of zelfzuchtige menselijke neigingen het duurzame werk voor ons.
Ziet er vies uit he, die kalk?
Lekker snel klaar he, als je niet meer water neemt dan nodig?
Lekker he, Lunch Ching van 80 graden?
Zo is de waterkoker duurzamer, niet omdat-ie minder energie gebruikt maar omdat-ie ons verleidt tot duurzaam gedrag.

zaterdag 13 oktober 2012

Gezellig duurzaam, deel 2: Hoera voor CO2!

Nu de ochtenden weer wat frisser worden begin ik langzaam mijn kachel onder de knie te krijgen. Hij is destijds aangeschaft om twee redenen: ten eerste omdat hij buitengewoon efficiënt is in het verbranden van hout en ten tweede omdat hij er mooi uitziet. Voor sommige waarden van mooi, natuurlijk. Als je houdt van veel versieringen en krullerige lijnen, dan is-ie foeilelijk. Houd je echter meer van rechte, strakke lijnen dan is-ie prachtig. (Voor wie nieuwsgierig is naar de esthetiek van mijn huiskamer, het is een Stuv 16 cube)
Het voordeel van die efficiënte verbranding is dat je minder houdt nodig hebt om je kamer warm te stoken. Een ander voordeel is dat het houdt bijna volledig verbrandt, wat wil zeggen dat het hout grotendeels wordt omgezet in waterdamp en CO2. En CO2 is, in dit verband, goed. De boodschap dat CO2 slecht is is er zo ingehamerd (en terecht) dat je bijna gaat vergeten dat zijn kleine broertje koolmonoxide ook geen lieverdje is.
Adem teveel koolmonoxide in en de sterft.
Je moet er vrij veel van binnenkrijgen, dat is waar, maar in de dagen dat Nederland zich warmde aan gaskachels kwam het regelmatig voor dat mensen, die indommelden bij een gaskachel waar een kleinigheidje mee mis was, nooit meer uitdommelden.
Hoera voor CO2, dus.
Ook al omdat er bij volledige verbranding maar weinig roet vrijkomt. En roet is niet goed. Ik woon in een buurt waar vrij veel mensen een open haard hebben. Op de mooie, heldere, vrieskoude nachten hangt er in mijn straat soms een dichte mist, die geen mist is - zelfs geen smog - maar pure rook. Op de traditioneel gezellige winteravonden - kerst, Sinterklaas, oudjaar - kan een asthma-lijder zich beter niet buiten wagen in onze buurt.
Roet is een moordenaar.
Het is de oorzaak van schoorsteenbranden, maar dat is klein bier. Het spul is kankerverwekkend en er zijn verbanden gevonden met hart- en vaatziekten. Wie hout wil stoken (en heel veel mensen willen dat; hun aantal zal over een jaar of tien explosief toenemen, want dan is de gasbel in Slochteren leeg en dan moet Nederland aardgas importeren, met alle gevolgen vandien voor de prijs) kan maar beter zorgen dat hij een zo volledig mogelijke verbranding weet te realiseren. Of leren leven met de gedachte dat je een moordenaar bent, natuurlijk. Een moordenaar van je eigen familie en buren, welteverstaan, want de meeste roet die je uitstoot komt bij jou in de buurt weer naar beneden.
Een kleiner deel verdwijnt de atmosfeer in, wara het dingen doet met ons klimaat.
Helaas is nog niet duidelijk wélke dingen.
Roet kan fungeren als condensatiekern en speelt dus een rol bij de vorming van wolken en regen. Regen is goed, natuurlijk, want waterdamp is een broeikasgas en alle waterdamp die als regen neerslaat is niet langer bezig met het opwarmen van de aarde.
Een deel van de waterdamp slaat echter neer als sneeuw, en sneeuw met roetdeeltjes erin is niet volmaakt wit. En absorbeert meer zonnewarmte. En smelt sneller. En dat is allebei jammer, want het weerkaatsend vermogen van sneeuw (de albedo) sp[eelt een belangrijke rol in het klimaatsysteem van de aarde.
Ook wolken spelen een belangrijke rol: ze kunnen het aardoppervlak warm houden ('s nachts) of juist koel (overdags).
Kortom: roet en klimaat, daar is het laatste woord nog lang niet over gezegd.
En dat hoeft ook niet. Wie maakt zich druk om het klimaat, terwijl hij bezig is zijn eigen familie om zeep te helpen?
Roet is niet goed. Volledige verbranding wel. Hoera voor CO2!
Mijn kachel is niet alleen, efficiënt, maar ook mooi. Het design van de kachel heeft jammer genoeg ook nadelen: als het hout erin niet goed brandt, is dat makkelijk aan te passen door er wat hout bij te gooien of even in de boel te poken.
En dat is niet aan te raden, bij de Stuv, want zodra je het raampje opendoet wolkt er dikke, vieze rook de kamer binnen.
Als de kachel schoon brandt heb je dat probleem niet, maar ja, dan hoeft het deurtje niet zo vaak open.
Inmiddels, nu ik 'm bijna een jaar heb, kan ik mijn kachel zó stoken dat ik niet meer hoef te rommelen en poken.
Tien maanden, minus vijf maanden zomer en lente, is vijf maanden. Dat is de tijd die ik nodig heb gehad om mijn kachel onder de knie te krijgen. Ik was geen onervaren stoker - jarenlang wist ik in een handomdraai een mooie fik te krijgen in onze open haard - maar elke kachel is anders en geen twee schoorstenen trekken hetzelfde. Ook voor zoiets simpels als het aansteken van een houtvuurtje geldt weer: You haven't learnt it if you haven't actually done it. En ik kan daaraan toevoegen: je hebt het pas goed geleerd, als je het heel vaak hebt gedaan.

Toen ik me vanmorgen neerzette bij de kachel, met mijn laptop en een kopje thee, had ik eigenlijk willen schrijven over de duurzame kanten van een kopje thee. Een inleidende opmerking over mijn houtkachel liep echter zodanig uit de hand, dat u de kop thee van mij tegoed moet houden. Volgende week dus nog meer gezelligheid!

zondag 7 oktober 2012

Het lot van de Schwarze Ungarin

Al een paar weken probeer ik het uit te stellen, maar daar kan ik niet eeuwig mee doorgaan. Uiteindelijk moet de waarheid boven tafel. De mensheid heeft recht op de keiharde feiten. Over mijn aardappeloogst.
Er is een manier van aardappels verbouwen die circuleert op het internet en die zelfs af en toe in boeken wordt beschreven, een revolutionaire manier die enorme opbrengsten op de vierkante meter belooft. Op de kwart vierkante meter.
Het gaat als volgt: neemt vier plankjes van ongeveer een halve meter lang, en een viertal latjes (of balkjes, ik ben geen timmerman en ken het technisch onderscheid tussen een dik latje en een dun balkje niet) van ongeveer een meter. Je schroeft de plankjes aan de latten vast, zodat de planken een vierkant vormen met de latten in de hoeken. Dan zet je dit vierkant, met de planken aan de onderzijde, in een hoekje van je tuin en in het zo ontstane 'bakje' plant je een paar aardappels.
Tot zover alles duidelijk?
Mooi.
Nu wacht je tot de aardappels ontspruiten.
Als de aardappelplanten een zeker formaat bereiken, sommigen van mijn lezers weten dit al lang, moet je de aarde eromheen wat naar de plant toe werken, zodat er een klein heuveltje ontstaat. Dat heuveltje zorgt ervoor dat de nieuw gevormde aardappels, die soms de neiging hebben boven de grond uit te komen, beschermd worden tegen zonlicht. Aardappels die met zonlicht in aanraking vormen glycoalkaloiden; giftige stoffen die de knol min of meer oneetbaar maken (als een aardappel groen is, heeft hij glycoalkaloiden aangemaakt en kun je er een serieuze buikpijn aan overhouden. Hoe serieus die kan worden weet ik niet precies, maar de Aardappel is familie van de Zwarte Nachtschade en daar kun je mensen dood mee krijgen. De gifstoffen zitten trouwens door de hele knol; het groen eraf schillen heeft geen nut).
Een andere reden voor dat heuveltje is dat de aardappelknollen het best groeien in losse aarde, en je kunt wel je hele aardappelveld los gaan spitten tot een diepte van 50 cm, maar het is eenvoudiger om de aarde wat op te hopen; dan ben je meteen aan het wieden.
Het idee is nu dat je, in plaats van aarde om de plant op te hopen, nu de aarde in het vierkante bakje gooit. En dat je, en nu komt het, daarna een nieuwe laag planken aan de latten schroeft en het hele proces herhaalt. Behalve het planten natuurlijk, want dat heb je al gedaan.
En daarna herhaal je het weer, en zo verder tot je een bak hebt van een meter hoog.
Als het tijd is om te oogsten, schroef je je plankjes los en voila: een krankzinnige hoeveelheid piepers op een waanzinnig klein oppervlak.
Velen rapporteren hiermee opbrengsten te halen van 25 kilo op een kwart vierkante meter.
Dat wilde ik ook wel, dus ik heb het eens fijn geprobeerd deze zomer.
Vele anderen rapporteren trouwens hiermee opbrengsten te halen van nul komma nul gram aardappels.
Dus dat werd spannend.
Welnu, mijn opbrengst lag dichter bij de nul dan bij de 25 kilo. Ik had aan het einde van de rit meer aardappels dan ik er aan pootgoed had ingestoken, maar daar is het dan ook wel zo ongeveer mee gezegd.
De methode werkt dus niet...
zou ik zeggen als ik mezelf te serieus nam.
Maar dat doe ik dus niet.
Weet ik veel waar het aan ligt? Misschien is het de methode die nergens op slaat. Misschien stond mijn aardappelbak op de verkeerde plaats (onder een robinia, wat om een veelheid aan redenen verkeerd is: aardappelen horen, naar verluidt, niet in de schaduw te staan, bomen sturen hun wortels omhoog dus mijn mooie aardappelbak zat vol boomwortels die waarschijnlijk heel wat voedingsstoffen bij mijn piepertjes weg hebben gesnoept - aan de andere kant, de wortels van de robinia leggen stikstof vast in de bodem, dus dat zou het probleem niet mogen zijn, of juist wel, wie weet verzopen mijn aardappels in een teveel aan stikstof en trouwens, misschien waren de wortels die ik tegenkwam wel van de naastgelegen klimop, het is een wirwar daar beneden). Of ik heb het verkeerde ras gebruikt (Schwarze Ungarin, ik dacht ik doe eens gek). Of, en dit is niet onwaarschijnlijk, ik heb de aarde er steeds op de verkeerde momenten opgegooid. Ik had nog nooit eerder aardappelen geteeld, dus ik had geen idee wat het goede moment is.
Over de vraag hoe verstandig het is te gaan experimenteren voordat je de basis onder de knie hebt zal ik verder zwijgen.
Feit is dat er maar één manier is waarop het goed kan gaan: als alles klopt. En er zijn heel veel manieren waarop het fout kan gaan. Zie boven.
Zo bezien is elke poging tot wat dan ook een hachelijke onderneming, maar dat is geen reden het bijltje erbij neer te gooien. Om met de grote Beckett te spreken: 'Try again. Fail better.'
Volgend jaar: andere plek, andere pootaardappel. Dán ga ik pas geweldig falen!