dinsdag 25 september 2012

Gezellig duurzaam

Het woord 'Duurzaam' torst, helaas helaas, een wagonlading negatieve associaties met zich mee. Dat is waarschijnlijk een van de belangrijkste redenen dat de duurzaamheidstrein maar langzaam op stoom komt.
'Duurzaam = duur' is een van die onfortuinlijke misvattingen. Daarover hebben we het al eerder gehad.
'Duurzaam is ongezellig' is een andere. Duurzame mensen zijn bleke, sombere types die met vijf lelijke handgebreide truien over elkaar aan in onverwarmde kamers bij blauwwit LED-licht vies vegetarisch eten weg zitten te knagen. Dit alles tegen heug en meug, natuurlijk, maar ze hebben zich nu eenmaal voor de gek laten houden door de frauduleuze klimaatwetenschappers, ofwel (voor degenen met iets meer respect voor de realiteit) ze grijpen de wel degelijk bestaande klimaatproblematiek aan voor het maken van loze gebaren die toch niks uithalen teneinde zich superieur te kunnen voelen aan de meer op zijn comfort gestelde medemens.
Niets, dierbare lezer, is minder waar.
Over deze hele reeks misvattingen op het vlak van ongezelligheid kan ik heel veel vertellen, maar omdat een beeld meer zegt dan duizend woorden volsta ik nu even met de mededeling dat ik dit blog zit te schrijven, met mijn trouwe laptop op schoot, bij het knapperend haardvuur terwijl de geur van versgebakken brood door de kamer kringelt.
Dat brood komt uit de bakmachine, want ik ben duurzaam maar lui. Echte die-hards bakken hun brood natuurlijk zelf, in een houtoven, maar het ontbreekt mij aan de daartoe benodigde houtoven. En vooral aan het daartoe benodigde geduld, want dat kneden doe je niet in een handomdraai en het rijzen vraagt nogal wat tijd.
Nee, doe mij maar een bakmachine.
Dan weet ik in elk geval zeker dat ik brood heb van biologisch verbouwd graan, dat gemalen is op de wind (in een van de laatste functionele windmolens van Nederland, die een minuut of tien fietsen bij mijn huis vandaan staat - je kunt maar geluk hebben) en vervolgens gebakken is met behulp van groene stroom.
En wat ik vooral zeker weet is dat het heel, heel erg vers is. Want dat ruik ik.
Het ruikt lekker. Het ruikt huiselijk en gezellig. Iedereen die wel eens versgebakken brood heeft geroken zal het daarmee eens zijn.
Nog zo'n universeel gewaardeerde geur: het haardvuur.
Het haardvuur, zo hoor je allerwegen, geeft een 'gezellige warmte'. Dat kan dus niet, want warmte is gewoon de kinetische energie van de ons omringende lucht: de snelheid waarmee haar moleculen bewegen. Daar is niet zo heel veel gezelligs aan, zou je zeggen.
Het gezellige zit hem in het licht, natuurlijk, en waarschijnlijk ook wel een beetje in de geur. Aan brandlucht hebben we allemaal een hekel, de lucht van een kampvuur kan niet iedereen bekoren, maar een open haard, daar houdt iedereen van. Mits goed aangestoken. Als de wolken door de kamer drijven, is het wat anders. Zoals ik helaas herhaaldelijk persoonlijk heb kunnen vaststellen.
Onze open haard is geen haard maar een kachel (want van ijzer, en er zit een glazen deurtje voor het vuur), en we hebben hem nu een jaar. Elke haard en elke kachel heeft zijn eigen vereisten, wil op zijn eigen manier worden aangestoken - je hebt het nooit metéén onder de knie. Dus in de eerste weken zul je af en toe je huisgenoten kuchend en met betraande ogen de kamer uit zien lopen.
Maar als je het eenmaal onder de knie hebt, dan heb je wat.
Allemaal leuk en aardig, natuurlijk, maar wat heb je d'r nou eigenlijk an, qua duurzaam? Bomen waren toch goed? Dan moet je die toch niet opstoken?
Eh... nee, inderdaad.
Bomen zijn heel, heel goed.
Ze vangen het gehate CO2 uit de lucht en maken er een mooi bos van. Ze maken regen (doordat ze niet alleen zuurstof, maar ook waterdamp uitademen. Regen, die meer dan 300 km van de kust neerkomt, is niet uit de zee afkomstig maar grotendeels van uitademende gewassen. Voornamelijk bomen). Ze doen nog meer, waar mens en eekhoorn blij van worden, maar dat ligt allemaal zo zeer voor de hand dat ik het niet hoef te noemen.
Waarom ze dan in brand steken?
Omdat hout, in tegenstelling tot aardgas, een hernieuwbare bron is.
Gas raakt op. Hout groeit er gewoon weer bij. En hout vangt, al groeiende, CO2 uit de lucht. CO2 die je er vervolgens net zo hard weer de lucht in blaast, als je het hout in de fik steekt, maar het netto-effect is dan nog altijd ongeveer nul.
Kom daar bij aardgas nog maar eens om.
Moet je dus wel hout nemen uit een deugdzaam beheerd bos, waar de bomen weer worden teruggeplant. Of snoeihout - nog beter.
Stoken in een open haard heeft niet zo veel nut, trouwens. Dat levert maar weinig warmte, want je krijgt er zelden een volledige verbranding en bovendien verdwijnt de meeste warmte door de schoorsteen.
Een beetje een goeie kachel, daarentegen, kan zo'n 75% rendement halen. 75% van de in het hout opgeslagen energie (lees: zonlicht) komt als warmte je kamer in! Het is even een investering, zo'n kachel (Vimes' Boots marcheren ook hier weer de discussie binnen), maar hout is vooralsnog goedkoper dan gas als je kachel een hoog rendement heeft. En dat een kachel, met ene lekker groot raam zodat je de vlammen kunt zien dansen, veel aangenamer is dan een centrale verwarming, dat hoef je niemand uit te leggen.
Duurzaam: goedkoper én gezelliger!

zondag 16 september 2012

Het sperziebonenseizoen.

Ik probeer zo veel mogelijk van mijn voedsel te kopen bij de Natuurwinkel. Als ik zeg 'zo veel mogelijk' dan bedoel ik eigenlijk dat ik de de grens trek bij 'schreeuwend duur'. De Natuurwinkel (ik gebruik deze naam even voor alle Natuurwinkels, Ekoplaza's, Gimsels en welke merken je verder allemaal hebt op dit gebied - de verschillen zijn verwaarloosbaar) biedt, zoals u weet, eerlijk voedsel voor een eerlijke prijs. Helaas is die eerlijke prijs zodanig dat iemand die elke dag, bijvoorbeeld, sperzieboontjes eet binnen een jaar moet overstappen naar een andere leverancier. Namelijk de Voedselbank.
Het is een wonderlijke toestand, dat met die sperzieboontjes.
In de Natuurwinkel kun je meestal gemakkelijk zien welke groenten in welk seizoen groeien. Als de courgettes betaalbaar zijn, is het courgetteseizoen. Is de boerenkool betaalbaar, dan is het boerenkoolseizoen.
Hallo, Natuurwinkel! Wanneer is dat stomme sperziebonenseizoen nou eigenlijk? Die krengen zijn het hele jaar door krankzinnig duur.
Voor de meeste groenten geldt bij ons in huis: zijn ze in het seizoen, dan halen we ze bij de Natuurwinkel. Zo niet, dan zijn er twee opties.
Optie 1: ik doe de boodschappen en we eten gewoon iets anders.
Optie 2: mijn lief doet de boodschappen en we eten de onseizoenelijke groente wel, maar die komt gewoon van de Supermarkt.
Meestal doe ik de boodschappen, dus sperzieboontjes eten wij bijna nooit. En dat is jammer, ivm voedzaam en smakelijk.
Bieten eten wij het hele jaar door, want afgaande op de prijs zijn die dingen altijd in het seizoen. In het courgetteseizoen zijn de bietjes goedkoper dan de courgettes. In het pompoenseizoen verslaan ze de pompoenen met gemak en in het boerenkoolseizoen laten ze fluitend de boerenkool achter zich. Staand voor het groentenschap krijg ik soms visioenen van een boer die ontspannen langs de velden kuiert, terwijl er tientallen, honderden bieten op eigen kracht vanuit de grond boenkerdeboenk in zijn kruiwagen springen.
Vreemd genoeg is het in de Supermarkt het het hele jaar sperziebonenseizoen.
Als je ze bij de Super het hele jaar kunt krijgen voor nog geen € 3 de kilo, terwijl ze bij de Natuurwinkel zelden onder de € 8 duiken, dan weet je dat er iets mis is. Iemand hier (ik kijk naar jou, Super) biedt ze niet aan voor een eerlijke prijs.
Wat zou er mis zijn, met die boontjes van de Super?
Zijn ze ongezond? Kennelijk niet: biologisch voedsel is even gezond als agro-tech voedsel, zo leerde ons onlangs een baanbrekend rapport van de universiteit van Stanford. Drie jaar geleden was er ook al een baanbrekend rapport met precies dezelfde conclusie, en zeven jaar daarvoor ook, geloof ik. Men blijft maar baanbrekend concluderen: in biologisch voedsel zitten niet meer mineralen en vitaminen en vezels etc. dan in agro-tech. Kennelijk vindt men dat belangrijk. Biologisch voedsel bevat, zo blijkt ook steeds weer, minder landbouwgif en multiresistente bacteriën dan agro-tech. Kennelijk minder belangrijk. Biologisch voedsel put de bodem niet uit en is onafhankelijk van niet-hernieuwbare bronnen; dat heeft weliswaar niks met gezondheid te maken, maar wie zegt dat gezondheid het enige is waar je keuze van af mag hangen?
Wat is er mis met die onmogelijke sperzieboontjes? Afgezien van de niet-hernieuwbare kunstmest, de uitgeputte bodem en het landbouwgif (Oh ja, en het verbruik van kerosine - uw boontje wordt ingevlogen uit Egypte)?
Een tipje van de sluier werd deze week opgelicht doordat 's lands grootste Supermarkt een brief stuurde aan al zijn leveranciers: ze hadden besloten al hun leveranciers botweg 2% minder te gaan betalen voor hun producten. Pech voor de producenten. Als de prijs lager is dan in de Natuurwinkel, kun je ervan uitgaan dat er ergens iemand genaaid wordt. Een boer, een vervoerder, de kinderen die straks van dat kapot gemeste land moeten leven... En als de prijzen zo krankzinnig laag zijn als van de Super-boontjes, dan kun je er zeker van zijn dat vrijwel iedereen genaaid wordt. En hard ook.

Ik verbouw dit jaar mijn eigen sperzieboontjes. Niet alleen weet ik nu eindelijk wat het sperziebonen-seizoen is (augustus en begin september), ik bespaar geld, en krijg geen landbouwgiffen binnen. Maar die Egyptische boer dan? Die verdient nu helemaal niks aan zijn boontjes!
Nou, dan eet-ie ze toch lekker zelf op? Of hij verkoopt ze aan zijn mede-Egyptenaren. Of hij rukt ze uit en zaait tarwe in.
De Arabische Lente, laten we dat niet vergeten, begon met rellen over de voedselprijzen. Als ze daar te weinig te eten hebben, waarom moeten ze dan die krankzinnige boontjes voor ons verbouwen? Want boontjes, ook dat leer je helaas als je ze zelf verbouwt, leveren een bedroevend lage opbrengst per vierkante meter. (hier mag u een mild-bedroefde zucht achter denken)


PS. mijn spellchecker kent niet de woorden courgetteseizoen of sperziebonenseizoen, maar wel 'boerenkoolseizoen'. Seriously, WTF? Zoals dat tegenwoordig heet.

dinsdag 11 september 2012

Het zit 'm in het decor

Hoe maak je een duurzame cabaretvoorstelling?
Op dezelfde manier als je een duurzame wat-dan-ook maakt: je bedenkt wat je wilt maken en in plaats van meteen aan de slag te gaan denk je nog even verder over de duurzame kant van het verhaal.
Wat is er niet duurzaam aan je plan? Die aspecten verbeter je, waar het kan. Makkelijk zat.
Welnu: wat is er niet-duurzaam aan een cabaretvoorstelling?
Fucking alles!
Je begint de teksten te schrijven. Op een computer, die stroom verbruikt, of op papier, dat grondstoffen (hout, water en chemicaliën om de zaak mooi glanzend wit te krijgen) en energie verbruikt. Laten we niet vergeten dat die computer ook behoorlijk wat materialen (waarvan sommige giftig en sommige zeldzaam) heeft gekost, evenals een hoop energie (vergis je daar niet in: een computerchip is klein, maar kost heel veel energie omdat-ie zo complex is) heeft gekost. Kan dat duurzamer? Een beetje wel: recyclingpapier gebruiken, of een tweedehands computer en groene stroom. Het allerduurzaamst is het om papier te hergebruiken, bijvoorbeeld door de marges van kranten af te knippen en daarop te schrijven. Maar ik ben Gekke Henkie niet; er komt een punt waarop de eisen die je jezelf stelt zo strikt worden, dat je alle plezier in het werken verliest en dan kun je beter iets geheel anders gaan doen. Of een compromis-oplossing zoeken. 'Iets anders gaan doen' is in dit gedachte-experiment geen optie, want we willen bedenken hoe we een duurzame voorstelling maken, niet of we er een gaan maken.
Dat wordt dus een compromis: de tweedehands computer met groene stroom.
Dan moet er gerepeteerd worden. Tenzij je in dezelfde plaats woont als je regisseur betekent dat een hoop heen-en-weer gereis. Dat kun je simpel oplossen door te verhuizen, maar dan wordt de vraag 'hoe verhuis ik duurzaam' en dan heb je er een redelijk groot probleem bij. Of je beperkt je bewegingen door de repetities te beperken, bijvoorbeeld door één week lang elke dag de hele dag samen te werken en te hopen dat die hogedrukpan het gewenste resultaat oplevert. Het allermakkelijkst is het natuurlijk een regisseur te zoeken in je eigen woonplaats, maar lukt dat niet dan wordt het de hogedrukpan.
Daarna moet het decor worden gemaakt. Decors kosten energie en materialen, dat is nou eenmaal zo. Je kunt de schade beperken door groene energie te gebruiken, en FSC-hout en eco-katoen enzovoort (of nog beter: gebruikt hout, katoen enzovoort op de kop tikken). Het duurzaamst is weer: geen decor nemen, maar ik ging een cabaretvoorstelling maken en geen stand-up comedy.
Tenslotte komt het belangrijkste: de tournee. Het hele land door met een dieselbus vol decorstukken. Je zou natuurlijk met de trein kunnen gaan, maar dan kan je decor niet mee.
Hmmm... dat is nou de tweede keer dat het decor roet in het eten gooit.
Toch maar geen decor, dan?
Of... (tromgeroffel) je neemt een decor dat al ter plaatse is. In vrijwel ieder theater is er wel een soort opslagruimte waar oude decorstukken van een of ander huisgezelschap stof staan te vergaren. En theaters die dat niet hebben, hebben wel een foyer met tafeltjes en koffiekopjes en weet ik veel wat. Waarom zouden we niet gewoon die spullen als decor nemen? Is nog hergebruik ook!
Het nadeel van dit idee is dat het decor niet bepaald is toegesneden op de voorstelling.
De oplossing is eenvoudig: we snijden de voorstelling toe op het decor. Wat we zelf kunnen dragen nemen we mee, wat we verder nodig hebben zoeken we in het theater, en we improviseren de boel aan mekaar.
Dat wil zeggen dat je voor elke voorstelling een paar uur extra opbouwtijd moet rekenen. Om het theater af te schuimen naar decorstukken, enige coherentie aan te brengen in wat je zoal vindt en, ook niet onbelangrijk, om alvast een beetje na te denken hoe je de voorstelling in dat decor gaat spelen.
Kortom: het kost elke keer weer een beetje extra moeite.
Maar wie duurzaam wil proberen te leven kan zich maar beter meteen neerleggen bij het concept 'extra moeite', ben ik bang.
Een beetje extra moeite, daar ga je niet dood aan. Integendeel; werken houdt het lichaam fit en improviseren houdt de geest soepel.
Wie duurzaam leeft, gaat fit en soepel zijn graf in.

zaterdag 1 september 2012

Duurzaam optreden

Het is al bijna een jaar geleden, dat ik mijn laatste voorstelling gaf. Eigenlijk was het mijn bedoeling het bijltje erbij neer te gooien. Kindertheater trekt nou eenmaal geen volle zalen, tenzij je bekend bent van de televisie. En daar kwam nog eens het kabinet Bruin I overheen, met zijn persoonlijke vete tegen alles wat het leven interessant maakt. De prijzen van theaterkaartjes stegen, verdiensten liepen terug. Kennissen, wier core business theater was, klaagden steen en been over de halflege zalen waarin zij hun goedbedoelde vakmanschap over de hoofden van de laatste Nederlandse cultuurmohikanen lieten galmen.
Maar ziet, daar kwam het Kunduz-akkoord en opeens leken er weer dingen mogelijk. De BTW-verhoging op theaterkaartjes werd afgeschaft. Er werden trouwens ook een paar groene maatregelen genomen, zoals de Forenzentaks. Die had overigens, haast ongelooflijk voor een regeringsmaatregel, werkelijk zin en het is dan ook leerzaam te zien hoe ie-de-reen die bij het bedenken van die maatregel betrokken was zich nu haast hem te verfoeien. Houdt uw ogen en oren open, lezer! De volgende keer dat een bende politiekers een zelf genomen maatregel laat vallen als een gloeiendhete aardappel ingesmeerd met groene zeep, dan weet u: daar heeft men per ongeluk iets nuttigs gedaan, dat het ongewenste gedrag van de burger daadwerkelijk dreigt te veranderen en daarom door diezelfde burger gehaat wordt.
Vergelijk dat eens met de theaterkaartjes: dezelfde politici die met een zelfvoldane grijns meldden dat ze duurder zouden worden, melden nu even tevreden dat ze goedkoper worden en er is geen haan die ernaar kraait. Theaterkaartjes zijn electoraal volkomen irrelevant.
Voor mijzelf zijn ze echter verre van irrelevant, want ik had er een tijdlang mijn brood mee verdiend. En toen het Kunduz-akkoord eenmaal ter tafel lag, besloot ik dat oude metier weer op te pakken.
Maar dan anders. Geheel in de geest van mijn Groene Voeten besloot ik de duurzaamste voorstelling van het seizoen 2013/14 te gaan maken (het maken van een voorstelling kost ongeveer een jaar, en de verkoop van voorstellingen aan theaters begint in de herfst, dus een beslissing in het voorjaar van 2012 krijgt pas zichtbare gevolgen na anderhalf jaar).
Ik had wel vaker met de geachte gespeeld een duurzame voorstelling te maken. Ik dacht daarbij aan een home-trainer, die ik zou ombouwen (of eerlijk gezegd: laten ombouwen, want mijn technicus is heel handig en ik niet) zodat je er energie mee kon opwekken door te trappen. Die zou dan het licht moeten leveren voor de hele voorstelling. Vanzelfsprekend zou ik dan op LED gebaseerde theaterlampen mee moeten nemen, want gewone lampen krijg je met 1 fietsje niet van stroom voorzien. De rest van de decorstukken en attributen zou dan net buiten bereik staan, zodat je ze niet kunt pakken zonder het theater in duister te hullen en/of ingewikkelde capriolen uit te halen. Altijd leuk.
Leuk, ja, maar duurzaam? Eigen LED-spots? Hoeveel energie kost het produceren van een LED-theaterlamp, en hoe vaak moet je wel niet optreden voordat dat energiebesparing oplevert? De hometrainer was het probleem niet, die kon je vast wel tweedehands aanschaffen en met beperkt gebruik van van grondstoffen ombouwen.
Maar zo'n hometrainer moet ook in het theater aankomen, anders heb je er niks aan. Zelfde geldt voor de theaterlampen en de rest van het decor.
Het grootste beslag op grondstoffen legt een theatergezelschap misschien wel door het voortdurende rondreizen waarmee een tournee gepaard gaat. Zo'n grote dieselbus met decorstukken die het hele land doorkruist... zou dat nou niet anders kunnen?
Ja, dat kan natuurlijk anders.
Bijvoorbeeld door alle voorstellingen in hetzelfde theater te geven. Maar ja, dan moet je een eigen theater hebben. En genoeg publiek dat zó dol op je is, dat ze naar jou toekomen...
Oeps! Stel dat je zó populair bent dat mensen uit het hele land naar je voorstelling willen kijken. En stel dat je, om het milieu te sparen, niet naar hen toekomt. Dan komen zij naar jou. En zij zijn met velen, anders heeft het geven van zo'n voorstelling geen zin. Dan krijg je dus in plaats van 1 dieselbus honderden en honderden personenauto's die voor jouw voorstelling het land doorkruisen.
Daar wordt het allemaal niet beter van.
Er moest dus een radicaal andere manier verzonnen worden.
Daarover volgende week meer.

zaterdag 25 augustus 2012

Geleerde stupiditeit

Eén van de slimste mensen die ik ken is een hoogleraar in de geschiedwetenschap. Die weet waar-ie het over heeft, hoor, als-ie over de Romeinen praat. Ook over de hedendaagse politiek weet hij niet alleen alles wat je in de media kunt vinden, maar hij heeft ook contacten die hem roddels vertellen die je niet in de media te horen krijgt. Of die roddels kloppen kan ik niet controleren, natuurlijk.
Het is opvallend hoe iemand op sommige gebieden briljant kan zijn, terwijl hij op andere vlakken - of zelfs op een aspect van zijn eigen vakgebied - te stom is om voor de duvel te dansen.
Een anekdote.
Enkele jaren geleden zat ik met mijn slimme vriend in de trein, en we kwamen te spreken over mijn behoefte om te leren tuinieren.
Wat ik buitengewoon graag zou willen kunnen, vertelde ik hem, is het lezen van onkruid.
Dat moest ik hem even uitleggen, en u, lezer, misschien ook wel.
Planten hebben niet meer nodig dan zonlicht, regen en aarde. Hebben ze die drie dingen, dan groeien ze vanzelf.
Nu zijn zonlicht en regenwater tamelijk eenvoudig van samenstelling, maar met aarde is het een ander verhaal. Niet iedere grond is geschikt voor iedere groente. Sommige planten doen het beter in een zure grond, of in een vochtige grond, of een stikstof-rijke grond. Voor een tuinier is het dus belangrijk om te weten of zijn grond zuur is, of vochtig, of stikstofrijk.
Waar een behoefte is, is een markt, dus er zijn allerhande tests ontwikkeld waarmee je je grond kunt onderzoeken op bijvoorbeeld PH-waarde of stikstofgehalte. Er zijn zelfs tests om te kijken hoe het staat met een andere wezenlijke voorwaarde voor groei, onze vrienden de sporenelementen: zeldzame (mangaan, molybdeen, borium) en minder zeldzame (koper, ijzer) aardmetalen die, in minuscule hoeveelheden, onontbeerlijk zijn voor een gezonde plantengroei.
Die meer ingewikkelde tests kun je niet zelf doen, trouwens, maar dat geeft niet want er zijn bedrijven die erin gespecialiseerd zijn en die die taak graag van je overnemen.
Echter, er is een andere manier om de aard van je aarde te bepalen. Een buitengewoon laag-technologische manier, wat wil zeggen dat je het zelf zou moeten kunnen doen tegen zo goed als geen kosten.
Zoals gezegd: elke plant heeft andere groei-behoeften. Dat is ook te verwachten, want er zijn verschillende soorten grond en elke soort is een niche, waarbinnen planten geëvolueerd zijn. Als je droge, stikstofarme grond een paar miljoen jaar laat liggen, reken maar dat er dan planten zullen ontstaan die droogte en gebrek aan stikstof als eerste levensvoorwaarde hebben. Dat kunnen we met een gerust hart aan de evolutie overlaten.
Daar ligt voor ons, intelligente tweepoters, een kans. Als iedere plant zijn eigen behoefte heeft, dan zouden we de vegetatie van een stuk grond moeten kunnen 'lezen'. Door zorgvuldig te determineren welke planten er op een locatie staan, en te kijken naar de groei-voorwaarden van die planten, kunnen we de grond daar analyseren.
Dat, zo vertelde ik mijn intelligente vriend, zou ik wel willen kunnen. Naar een door onkruid overwoekerd landje kijken en aan het onkruid zien hoe het gesteld is met PH-waarde, stikstofgehalte etc. Echt gelukkig zou ik zijn als ik zelfs mangaan- en molybdeen-gehaltes zou kunnen aflezen. Het zou een studie van vele jaren vergen, maar...
"Ja," merkte mijn vriend droog op, "en dan weet je ongeveer hetzelfde als een middeleeuwse boer." Zijn toon maakte duidelijk dat hiermee het onderwerp min of meer afgesloten was.
En dat was het ook, want ik was volkomen sprakeloos.
Hoe... was... het... mo-ge-lijk?
Hoe kon een beroepshistoricus ook maar één seconde denken dat een middeleeuwse boer enig benul had van mangaan- en molybdeen-gehalte?
Middeleeeuwse boeren hadden ongetwijfeld een band met hun land die voor mij niet te doorgronden is, en een kennis van tuinieren die door duizenden jaren ervaring was geïnformeerd, maar de veronderstelling dat ze wisten dat er zoiets als molybdeen bestond gaat zonder twijfel vele, vele bruggen te ver.
Sterker nog: ik moet de eerste hedendaagse flora nog tegenkomen, waarin wordt gesproken in termen die meer specifiek zijn dan: "deze plant ziet men doorgaans op licht zure, voedselrijke grond". (Als iemand van mijn lezers weet waar ik goede informatie op dit vlak zou kunnen vinden, houd ik mij zeer aanbevolen; ik heb nog geen extensieve studie van plantkundige boeken gemaakt, dus ik kan er makkelijk een paar over het hoofd hebben gezien. Alvast bedankt!) Onkruiden lezen zou wel eens behoorlijk cutting edge kunnen wezen.

Overigens is de enormiteit van mijn geleerde vriend makkelijk te verklaren. We spraken immers niet over een puur intellectuele interesse van mij - puur intellectuele interesses, daar heeft hij wel respect voor, hoewel het planten- en dierenrijk hem niet erg boeit. Ons gesprek was op dit onderwerp aangeland via de route van klimaatverandering, peak oil en peak soil. Nu is mijn vriend niet gek, dus hij weet ook wel dat die problemen aan de horizon dagen en dat zijn kinderen zullen leven in een andere wereld dan hijzelf - een wereld waarin praktische vaardigheden belangrijker zijn dan intellectueel prestige of de zekerheid van een vast salaris. Dat is echter geen wereld waar hij graag over nadenkt. In zijn panische behoefte de discussie af te sluiten greep hij naar de eerste de beste denigrerende opmerking die hem voor de geest kwam.
Een leerzaam moment.
Als zelfs een zeer intelligent, welingelicht persoon al zo haastig zijn hoofd in het zand steekt, hoe kunnen we dan hopen dat de grote massa van onze medeburgers tijdig de ogen opent voor de problemen waarmee wij geconfronteerd worden?
Niet, dus.
Het enige wat je kunt doen is je eigen vaardigheden ontwikkelen en doorgeven, in de hoop dat er ooit iemand iets aan zal hebben. Waarvan akte.

zaterdag 16 juni 2012

De oogst van deze, uh... lente?

Mijn tuintje is minuscuul, dus als er iets eetbaars uit komt is dat een bijzondere gebeurtenis. Met een groot gevoel van tevredenheid kon ik afgelopen week de eerste doperwten serveren.
Het was niet véél, want een bende criminele merels heeft, om hen moverende redenen, de taak op zich genomen mijn erwten-bedje grondig om te spitten. Ik heb het maaltje dan ook moeten aanvullen met wat andere oogst uit mijn tuin: champignons.
Waar komen die vandaan?
Het stukje zandgrond, dat ik bewoon, is buitengewoon geschikt om huizen op te bouwen (nooit last van vocht in de kruipruimte, waarvoor dank) maar voor het verbouwen van groente is het net iets minder geschikt. Zand, armzalig zand, dat geen vocht vasthoudt en nauwelijks voedingsstoffen bevat. Daar moet organisch materiaal bij. Ik composteer zo ongeveer alles wat ik te pakken kan krijgen (behalve snijbloemen en citrusfruit. Die schijnen zo vol gifstoffen en schimmelremmers te zitten dat ze het composteerproces remmen) en daarmee zou ik het moeten kunnen redden.
Maar ieder jaar ga ik weer voor de bijl als de kinderen van de Scouting langskomen met hun mestactie.
Ten eerste heb ik zelf jarenlang op Scouting gezeten, dus ik weet hoe het is om met allerhande acties langs de deuren te moeten om geld op te halen voor weer een kamp. Of nieuwe pioniertouwen of weet ik veel wat. Daarom, uit een mengeling van empathie en nostalgie, doe ik altijd weer mee. Ik haal er ook mijn oliebollen op oudjaarsdag.
Ten tweede is mijn schrale grond zo frustrerend, dat ik het aanbod van goedkope mest, die in elke gewenste hoeveelheid aan je deur wordt afgeleverd, niet kan weerstaan. Ook niet als het uitgekauwde paardenschijt is. Paardenmest is van zichzelf al niet de meest voedselrijke mestsoort (kippenmest is het best, schapenmest moet ook heel gunstig wezen), en de mest die de scouts rondbrengen is al gebruikt om champignons op te kweken. Dus een groot deel van de voedingsstoffen is er al uit geslurpt door de paddenstoelen. Wat er overblijft bestaat, vermoed ik, voornamelijk uit koolwaterstoffen die niet veel meer doen dan het verbeteren van de grondstructuur.
Nou ja, da's ook nooit weg.
Ik houd mezelf maar voor dat ik die mest afneem vanwege de community building waar veel duurzaamheidsdenkers de mond van vol hebben.
Afijn. Champignons, zoals bekend, zijn de voorplantingsorganen van een schimmel die bestaat uit een netwerk van kriegelige draadjes onder de grond. Dat ondergrondse deel, het mycelium, kan zich in theorie kilometers ver uitstrekken; het grootste levende wezen ter wereld schijnt een mycelium te wezen in een bos ergens in het noordwesten van de VS. Een organisme zo groot als een bos - dát is nog eens succesverhaal! Maar goed, wij mensen hebben voetstappen op de maan gezet en dat doen de paddenstoelen ons dan weer niet na.
Dus de champignons in mijn tuin stellen mij, wat betreft hun herkomst, niet voor een raadsel.
Maar.
Champignons in juni? Paddenstoelen horen toch bij de herfst? Die houden toch van nat en koud?
Het was mij niet ontgaan dat deze junimaand nat en koud was. De radio meldde dat we zelfs dat we onder de temperaturen zijn gedoken van, hou je vast, eerste kerstdag. Maar ik merkte pas echt hoe ver het ging, toen ik de paddenstoelen zag opkomen. In hoeveelheden die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. (De bruikbare oogst was maar gering, trouwens - het oogsten van champignons uit eigen tuin vergt een gevoel voor timing dat aan het onmenselijke grenst. Als je ze íets te lang laat staan, worden ze sponsachtig. Als je ze te vroeg oogst, zijn ze te klein om veel plezier van te hebben en als ze ook maar een dag te lang in je kelder liggen, rotten ze weg. Of ze verschimmelen - dat heeft iets ironisch, vind ik altijd: een schimmel die verschimmelt. Weet-ie ook eens hoe het is).
Gelukkig heb ik maar weinig domme kennissen. Want domme mensen zeggen bij elke vlaag kou: zie je wel dat het meevalt, met die global warming. En dan moet je weer gaan uitleggen dat de hele wereld, gemiddeld genomen, warmer wordt maar dat dat op lokaal niveau vooral tot gevolg heeft dat het weer vreemd en onvoorspelbaar wordt. Daarom wordt wel gezegd dat de term 'Global warming' eigenlijk zou moeten worden vervangen door 'global weirding': het wereldwijd optreden van bizarre weersomstandigheden.
En bizar is het zeker, deze paddenstoelenoogst.

dinsdag 12 juni 2012

Winst op de vierkante meter

De gemeente Nijmegen, waar ik woon, is niet alleen een links maar ook een groen bolwerk. Althans, zo denkt men er hier zelf over. In werkelijkheid loopt onze gemeenteraad een ietsiepietsie achter bij andere steden; Nijmegen wil klimaatneutraal zijn in '32, Amersfoort en Utrecht twee jaar eerder - en dat zijn de steden uit mijn eerste vijf seconden googlen. Dus.
Of ook maar één van deze steden zijn ambitie gaat halen is zeer de vraag, natuurlijk, maar daar gaat het nu niet om. Ik wilde alleen maar even vertellen dat Nijmegen een groene gemeente is. Dat kan 'm zitten in heel kleine dingen, en één van die kleine dingen ligt bij mij voor de deur. Het is een boomspiegel.
Voor wie niet weet wat een boomspiegel is: dat is die uitsparing in het trottoir, dat treurige stukje zand dat om een boom heen ligt en dat een paar keer per jaar door de gemeente wordt doodgeschoffeld. Groen onderhouden is veel werk, en een stukje zand dood houden is aanzienlijk goedkoper. Dat is jammer, want groen is beter. Als de boomspiegels vol planten zouden staan, dan zouden die plantjes gratis en voor niks CO2 uit de lucht vangen. En fijnstof. En ze zouden de waterhuishouding van de bodem verbeteren. Bovendien voelen mensen zich, dat is inmiddels ruimschoots aangetoond, gelukkiger in een omgeving met natuurlijke elementen.
Plantjes tegen depressie, een beetje zoals op sommige stations klassieke muziek wordt opgezet om de junks buiten te jagen. Groen geeft ook rust en verlaagt de agressie, dus met een beetje geluk scheelt het ook nog eens in de bushokjes.
Maar groen kost geld, en de gemeente gaat dat niet betalen want die heeft al haar geld nodig om mooie glanzende klimaatneutrale bussen op de weg te houden.
Goede raad bleek goedkoop.
Wie wil kan een boomspiegel claimen en er een mini-tuintje beginnen. Win-win! Ik een gratis tuintje, de gemeente gratis groen.
Dus. Ik heb een gratis vierkante meter om mee te doen wat ik wil (afgezien van het omhakken of anderszins beschadigen van de grote dikke boom in het midden, wat nogal een forse beperking is). Wat ga ik daar eens mee doen?
Ik ben nog steeds op rooftocht, dus uit deze gemeentegrond wil ik winst halen. Winst voor mij, uit de zak van mijn stadgenoten. Mwoehahaha! Hoe pak ik dat aan?
Het is niet eenvoudig. In de eerste plaats is de grond zo verarmd (je laat er onkruid groeien, schoffelt het omver en gooit het stoffelijk overschot in een wagentje van de gemeentelijke reiniging. Herhaal vijftig jaar lang. En voila: Peak Soil in het klein) dat er alleen de meest geharde onkruidjes groeien. Dat is te verhelpen natuurlijk, je kunt er compost op gooien, maar het is de bedoeling dat ik uit deze vierkante meter winst haal, niet dat ik er mijn kostbare compost heen breng.
Trouwens: ik hoef niet te mesten. Anderen mesten voor mij: de hondenbezitters uit de buurt. Boomspiegels hebben op hondenbezitters een magische aantrekkingskracht. Ze zijn minder ver lopen dan een hondentoilet en niemand klaagt als een hond in een boomspiegel schijt. Ja, ik wel natuurlijk, maar de grond is niet van mij dus ik heb niet echt een poot om op te staan.
Een aanvoer van voedingsstoffen is dus gegarandeerd. Het enige wat ik hoef te doen is zorgen dat ze niet bij de eerste regenbui het riool in spoelen. Het eerste jaar bestonden mijn liefhebbende zorgen uit het rucksichtlos laten staan van al het onkruid. Dat houdt meststoffen vast en bovendien maakt het met zijn wortels de keiharde grond wat losser. Ik schoffel af en toe wat onkruid om en laat het liggen als mulch voor het andere onkruid.
Dit jaar zet ik er wat eigen plantjes in (okee, ik zal eerlijk zijn: dat heb ik vorig jaar ook al geprobeerd, maar ze hebben het niet overleefd op een schrale stokroos na).
Er zijn mensen die mooie plantjes uit het tuincentrum halen en zo hun boomspiegel opfleuren. Die mensen zijn niet, zoals ik, op rooftocht. Ik zet er gratis plantjes in, die ik over heb uit mijn achtertuin. Maagdenpalm, om precies te zijn. Een fijn woekerende bodembedekker (er is een reden dat ik maagdenpalm over heb in grote hoeveelheden) die hetzelfde werk doet als het onkruid, maar dan met mooie paarse bloemetjes.
Nu heb ik dus mooie paarse bloemetjes.
Dat noem ik nog geen winst. Ik wil er iets uit kunnen halen, uit mijn vierkante meter. De maagdenpalm staat er voornamelijk om aan iedereen te laten zien: deze vierkante meter wordt wel degelijk beheerd mensen, kijk maar, bloemetjes, mooi he? Zo heeft niemand reden om te klagen over het opschietende onkruid, terwijl ik mij beraad op de volgende stap.
Ik ken een straat in Nijmegen waar een ondernemende geest in iedere boomspiegel twee of drie aardappelplanten heeft neergezet. Geinig, maar eigenlijk moet je rond die plantjes de grond iets ophogen, anders worden je aardappels groen en daar krijg je buikpijn van. Voor ophogen ligt er in zo'n boomspiegel niet genoeg zand. En, belangrijker, hoe oogst je zo'n aardappel?
Uit de grond halen, allicht, maar die grond, daar is iets mee. Die is bemest door mijn vriendelijke, hondenbezittende buurtgenoten. En hondenpoep bestaat voor een groot deel uit bacteriën (ongeveer een derde, als ik goed ben ingelicht) met als smaakmakers nog een mespuntje parasieten.
Dat wil ik allemaal niet aan mijn aardappels hebben hangen als ik ze binnenhaal. Over veldsla héb ik het niet eens.
Een tijdje heb ik gedacht: ik zet er smeerwortel in (over die wonderplant zal ik het later nog eens hebben). Maar daarvan zou ik alleen de hoogste bladeren kunnen gebruiken, en dan nog zou ik moeten hopen dat de beste vriend van de mens ze niet heeft ondergepist.
De hoogte moet ik in!
Dus morgen gaat er een kiwiplantje de grond in. Is gratis, want een stekje uit eigen tuin, dus als er over ene paar jaar kiwi's aan komen hoef ik niet te vrezen dat onverlaten mijn kiwi's oogsten. Elke kiwi die ik zelf te pakken krijg, is pure winst.
Een andere mogelijkheid: bamboe. Bamboestaken om bijvoorbeeld bonen op te binden, daarvan heb je er niet snel te veel. Ik heb er zelfs te weinig. Een eigen bamboeplantage voor de deur, dat lijkt me wel wat!
Nu nog op zoek naar iemand die een stekje bamboe over heeft. Want ik ga er geen geld in steken; je bent op rooftocht of niet.