Wat doe je in de laatste blogpost van het jaar? Terugblikken natuurlijk!
En hier op Groene Voeten blik ik terug op de duurzame kanten van het leven in 2012.
Om precies te zijn: op de duurzame kanten van mijn leven, want nog maar weer eens melden dat er weer een ronde klimaatbesprekingen de mist in is gegaan, en dat Nederland inmiddels het smerigste jongetje van de Europese klas is, is
A) saai, omdat je dat bericht elk jaar wel kunt plaatsen, en
B) laf, omdat de verandering naar duurzaamheid niet aan vergadertafels maar aan keukentafels wordt gemaakt. De wereld zul je zelf moeten veranderen; niemand anders gaat het voor je doen.
Daarom hierbij: de top vijf van manieren waarop ik mijn leven duurzamer heb gemaakt in 2012.
Op 1, met stip: de houtkachel! Niet dat ik die dit jaar heb laten installeren; dat was eind december 2011. Maar dit jaar heb ik 'm in gebruik genomen, ik heb een houtopslag in de tuin gemaakt en een groot deel van de lente en herfst heb ik hout gestookt in plaats van aardgas. En bovenal: ik heb mijn kachel leren gebruiken. Elke kachel en elke schoorsteen is anders, en de combinatie warme kamer+volledige verbranding+laag houtverbruik bereik je pas na veel oefening.
Op 2: de tuin. Niet alleen heb ik dit jaar een tweede groentenbed in productie genomen, waarvan ik smakelijke spinazie, koolrabi en pompoen heb kunnen smikkelen waar geen vervoerskilometer aan te pas is gekomen, ook heb ik me te pletter gelezen over permacultuur en Bio-intensieve tuinbouw, een volkstuin gehuurd voor het komende jaar, struiken en heesters ontworteld om volgend jaar mijn hele voortuin in productie te nemen en zaad en zaailingen besteld voor het komende jaar. (Ik speel hier een beetje vals... als ik al deze voorbereidingen tot vrucht laat komen in 2013, staan ze volgend jaar weer in mijn top vijf)
Op 3: de ledlampen. Een groot deel van mijn huis wordt inmiddels met LED verlicht. Serieuze besparing op elektriciteit!
Op 4: de hooikist. Die is nog niet helemaal af, maar al wel volop in gebruik. Ik heb niet geteld hoeveel pannen rijst, soep, bieten etc. ik daarin heb gekookt en wat ik daarmee aan gas heb bespaard, maar het is aardig wat.
Op 5: Hmmm... moeilijke keuze! Verschillende kleine verbeteringen strijden om deze laatste plek. Ik hou het op: de jam. Ik heb mezelf aangewend om in de herfst zelf jam te maken van kleinfruit uit de tuin (de kiwi's!) of uit het openbaar domein (bramen, van een overwoekerde groenstrook waar er zoveel groeien dat zelfs de plaatselijke vogelpopulatie ze niet allemaal op krijgt. Dat laatste is wel een voorwaarde om van duurzaam te kunnen spreken, overigens.) Sinds Augustus geen potje jam meer gekocht. De voordelen zijn evident: geen vervoerskilometers en duchtige recycling van jampotjes. De nadelen (energieverspilling door kleinschaligheid) zijn hopelijk kleiner dan de voordelen, maar uitgerekend heb ik het niet en daarom: de laatste plaats.
En jij? hoe is jou leven duurzamer geworden in 2012?
zaterdag 29 december 2012
zondag 23 december 2012
Bizarre uitjes
Gisteren zag mijn huishouden een aardige samenloop van omstandigheden: het einde van het groeiseizoen van 2012, en het begin van dat van 2013.
's Avonds stond er veldsla op het menu: het laatste voedsel dat er nog groeit, in mijn tuin. Mijn gezin heeft een collectieve hekel aan vrijwel alle kolen, wat wil zeggen dat oer-hollandse winterdelicatessen zoals boerenkool en spruitjes uitgesloten zijn van deelname aan mijn tuintje.
Aardperen, die ik in het verleden tot in januari heb kunnen oogsten, komen er ook niet meer in. Zelf vind ik dit aardige knolletje zeer smakelijk, maar in mijn gezin wordt daar door sommigen heel anders over gedacht. En mijn enige medestander in dezen krijgt er buikpijn van, dus die ziet de aardpeer ook liever gaan dan komen.
Met prei zou ik nog wel weg kunnen komen, mits met mate toegediend, maar die stond dit jaar domweg niet in mijn teeltplan. Ik heb maar een paar vierkante meter tot mijn beschikking.
Volgend jaar wordt dat radicaal anders. Ten eerste gaat de voortuin op de schop en ten tweede heb ik een volkstuintje gescoord.
Mijn voortuin wordt volledig omgebouwd tot productiemiddel. Fruitbomen, groentebedjes en een paar knotboompjes voor geriefhout. Dat laatste, eerlijk gezegd, voornamelijk omdat ik het woord 'geriefhout' een pracht van een woord vind. Dat krijg je, als je een schrijver een tuin laat bedenken.
Het volkstuintje is een iets ander verhaal: dat ga ik gebruiken om te experimenteren met een oude indiaanse teeltmethode, de zg. 'Three Sisters'. In die methode plant je mais, bonen en pompoenen door elkaar, en dat zou elkaar dan enorm goed moeten helpen en tot grote groeiprestaties opzwepen. De stengels van de mais dienen als staken waarlangs de bonen op kunnen klimmen, de bonen leggen stikstof vast in de bodem waar de mais en de pompoenen van kunnen mee-snoepen, de pompoenen houden met hun grote bladeren het onkruid in toom, kortom, als het goed is heb je er de hele zomer geen omkijken naar en is het daarna overvloedig oogsten geblazen.
Voor al die plannen heb ik natuurlijk zaaigoed nodig, en dat heeft de onvolprezen firma Vreeken keurig netjes naar mij opgestuurd. Gisterenmiddag kwam mijn bestelling aan; dat is wat ik bedoelde, toen ik zei dat het groeiseizoen van 2013 voor mij al begonnen was.
Het meest in mijn nopjes was ik met de ongebruikelijke ui-achtigen die ik besteld had. Daslook, Oerprei en St.-Jansuitjes - die eerste ken ik slechts van horen zeggen, de andere twee ken ik helemaal nérgens van. Ik heb ze voornamelijk aangeschaft om ze onder de fruitboompjes te zetten - het schijnt dat planten uit de uien-familie, met hun sterke geur, ongedierte (lees: bladluizen) zodanig in de war brengen dat de arme beestjes de boom niet meer kunnen vinden.
Tussen de bizarre uitjes komt rode klaver te staan, ook weer een stikstof-binder, die mijn fruitboompjes zal doen groeien als kool. Heb ik ergens gelezen.
Hmmm. Ik heb nu al drie keer een voorbehoud moeten maken. Mijn plannen zijn wel erg afhankelijk van wat ik zoal gelezen heb over Permacultuur, en ik weet nog heel goed wat het resultaat was, de vorige keer dat ik mij verliet op wijsheid-van-horen-zeggen.
Volgend jaar, zo rond oktober, weet ik pas hoe het verhaaltje verder gaat.
Dat is een beetje de ellende van tuinieren: de leercurve kan niet sneller stijgen dan het ritme van de seizoenen toestaat.
Of je moet een tuin in Zuid-Afrika nemen, zodat je op twee halfronden tegelijk kunt experimenteren. Dan gaat het twee keer zo snel.
Maar dan moet je wel heel veel vliegreizen maken, dus van duurzaamheid is dan geen sprake meer.
's Avonds stond er veldsla op het menu: het laatste voedsel dat er nog groeit, in mijn tuin. Mijn gezin heeft een collectieve hekel aan vrijwel alle kolen, wat wil zeggen dat oer-hollandse winterdelicatessen zoals boerenkool en spruitjes uitgesloten zijn van deelname aan mijn tuintje.
Aardperen, die ik in het verleden tot in januari heb kunnen oogsten, komen er ook niet meer in. Zelf vind ik dit aardige knolletje zeer smakelijk, maar in mijn gezin wordt daar door sommigen heel anders over gedacht. En mijn enige medestander in dezen krijgt er buikpijn van, dus die ziet de aardpeer ook liever gaan dan komen.
Met prei zou ik nog wel weg kunnen komen, mits met mate toegediend, maar die stond dit jaar domweg niet in mijn teeltplan. Ik heb maar een paar vierkante meter tot mijn beschikking.
Volgend jaar wordt dat radicaal anders. Ten eerste gaat de voortuin op de schop en ten tweede heb ik een volkstuintje gescoord.
Mijn voortuin wordt volledig omgebouwd tot productiemiddel. Fruitbomen, groentebedjes en een paar knotboompjes voor geriefhout. Dat laatste, eerlijk gezegd, voornamelijk omdat ik het woord 'geriefhout' een pracht van een woord vind. Dat krijg je, als je een schrijver een tuin laat bedenken.
Het volkstuintje is een iets ander verhaal: dat ga ik gebruiken om te experimenteren met een oude indiaanse teeltmethode, de zg. 'Three Sisters'. In die methode plant je mais, bonen en pompoenen door elkaar, en dat zou elkaar dan enorm goed moeten helpen en tot grote groeiprestaties opzwepen. De stengels van de mais dienen als staken waarlangs de bonen op kunnen klimmen, de bonen leggen stikstof vast in de bodem waar de mais en de pompoenen van kunnen mee-snoepen, de pompoenen houden met hun grote bladeren het onkruid in toom, kortom, als het goed is heb je er de hele zomer geen omkijken naar en is het daarna overvloedig oogsten geblazen.
Voor al die plannen heb ik natuurlijk zaaigoed nodig, en dat heeft de onvolprezen firma Vreeken keurig netjes naar mij opgestuurd. Gisterenmiddag kwam mijn bestelling aan; dat is wat ik bedoelde, toen ik zei dat het groeiseizoen van 2013 voor mij al begonnen was.
Het meest in mijn nopjes was ik met de ongebruikelijke ui-achtigen die ik besteld had. Daslook, Oerprei en St.-Jansuitjes - die eerste ken ik slechts van horen zeggen, de andere twee ken ik helemaal nérgens van. Ik heb ze voornamelijk aangeschaft om ze onder de fruitboompjes te zetten - het schijnt dat planten uit de uien-familie, met hun sterke geur, ongedierte (lees: bladluizen) zodanig in de war brengen dat de arme beestjes de boom niet meer kunnen vinden.
Tussen de bizarre uitjes komt rode klaver te staan, ook weer een stikstof-binder, die mijn fruitboompjes zal doen groeien als kool. Heb ik ergens gelezen.
Hmmm. Ik heb nu al drie keer een voorbehoud moeten maken. Mijn plannen zijn wel erg afhankelijk van wat ik zoal gelezen heb over Permacultuur, en ik weet nog heel goed wat het resultaat was, de vorige keer dat ik mij verliet op wijsheid-van-horen-zeggen.
Volgend jaar, zo rond oktober, weet ik pas hoe het verhaaltje verder gaat.
Dat is een beetje de ellende van tuinieren: de leercurve kan niet sneller stijgen dan het ritme van de seizoenen toestaat.
Of je moet een tuin in Zuid-Afrika nemen, zodat je op twee halfronden tegelijk kunt experimenteren. Dan gaat het twee keer zo snel.
Maar dan moet je wel heel veel vliegreizen maken, dus van duurzaamheid is dan geen sprake meer.
zondag 16 december 2012
Isolatie is energieverspilling
Energie besparen, en het is een beetje droevig dat hier soms nog op gewezen moet worden, kun je het beste doen door zo weinig mogelijk energie te verbruiken. Wie zijn huis isoleert, en vervolgens alle kamers dag en nacht tot 21 graden verwarmt, is niet erg zuinig bezig.
En daar komt nog bij dat, als je wilt isoleren, isolatiemateriaal moet worden geproduceerd, aangevoerd en geïnstalleerd. Kost allemaal energie. Bij ongewijzigd verbruik haal je die energie er snel genoeg weer uit, natuurlijk, maar het punt is nou juist dat je door je verbruikt te wijzigen een veel groter rendement kunt halen.
Een voorbeeld:
In mijn slaapkamer is het 's nachts koud. Dus ik heb het koud, zelfs onder drie dekens (nou ja, ik persoonlijk niet, want ik ben gezegend met een killer van een stofwisseling, maar anderen wel, waaronder iemand die gebruik maakt van dezelfde slaapkamer als ik. En reken maar dat het direct in mijn belang is dat die persoon het niet al te koud heeft 's nachts). Dat wil ik niet; ik wil het warm hebben. Dus de verwarming moet aan.
Ho, stop! Als ik de verwarming aandoe heeft mijn hele slaapkamer het warm, en dat was niet wat ik wilde.
Ik ben kleiner dan mijn slaapkamer (anders zou ik er niet inpassen), dus het is goedkoper om mij te verwarmen dan mijn slaapkamer.
Kortom: in mijn bed, dáár moet het warm zijn.
En aangezien mijn bed al geïsoleerd is, want dekens zijn niks anders dan isolatiemateriaal, is het heel efficiënt om mijn bed te verwarmen en mijn slaapkamer ongemoeid te laten. Zelfs en open raam bij lichte vorst heeft geen invloed op het verbruik van je elektrieke dekentje, want dat heeft geen thermostaat en levert een constante temperatuur af. En het verbruikt ongeveer 50 watt; ongeveer hetzelfde als de gloeilamp die je ouders voor je lieten branden op de gang, omdat het anders eng was.
Laten we zeggen dat je zes uur slaapt, dan verbruikt je dekentje pak 'm beet 0.3 KwH. Da's een stuk minder dan je verwarming verbruikt.
Maar het kan, natuurlijk, nog beter. Zoals zo vaak is ook hier de meest ouderwetse oplossing weer de duurzaamste: koop een kruik. Zet de fluitketel op en 0,2 KwH later heb je een liter warm water die, mits verpakt in kruik, garant staat voor een hele nacht warmte.
Nu is slapen met een kruik iets voor baby's. Het is ouderwets, armoedig en potsierlijk. MAAR. Leg op een koude winternacht een kruik in je bed, aan de kant waar je geliefde slaapt, en hij/zij zal je automatisch zien als de liefste, meest zorgzame persoon ter wereld.
De warmte die dat genereert, daar kan geen isolatie tegenop.
Maar de woonkamer dan? Die moet je wel isoleren, want in de woonkamer lig je niet onder een stapel dekens. Of wel?
Hou je vast. Nu gaan we hardcore.
Neem een slaapzak. Doe warm water in kruik. Doe kruik in slaapzak. Doe onderlijf ook in slaapzak. Lees boek. Dan hoef je alleen nog maar uit je slaapzak te komen om de verwarming uit te zetten, vanwege dat je het zo heet hebt.
Hoho, zegt u nu. Dát gaat mij een beetje te ver. Ik wil potverdrie wel rond kunnen lopen in mijn eigen woonkamer.
Welnu, lezer, ik ook. Daarom laat ik mijn huis ook isoleren, en stook ik af en toe de kachel flink op.
Maar naarmate de crisis verder voortschrijdt, zullen er meer en meer mensen komen bij wie gas en/of elektra worden afgesloten. U en mij gaat dat natuurlijk niet overkomen, lezer - ben je gek, dat overkomt alleen anderen. Maar mocht het ooit een van uw kennissen overkomen, dan weet u nu welke tip u hen kunt geven. Mochten uw kennissen zó krap komen te zitten, dat ze zelfs geen slaapzak meer kunnen betalen, dan mompelt u iets over een oud gordijn, een handjevol hooi, en de woorden 'zelfgemaakte voetenzak'. Een dikke trui doet dan de rest. Want een dikke trui is nog altijd de meest efficiënte isolatie.
En daar komt nog bij dat, als je wilt isoleren, isolatiemateriaal moet worden geproduceerd, aangevoerd en geïnstalleerd. Kost allemaal energie. Bij ongewijzigd verbruik haal je die energie er snel genoeg weer uit, natuurlijk, maar het punt is nou juist dat je door je verbruikt te wijzigen een veel groter rendement kunt halen.
Een voorbeeld:
In mijn slaapkamer is het 's nachts koud. Dus ik heb het koud, zelfs onder drie dekens (nou ja, ik persoonlijk niet, want ik ben gezegend met een killer van een stofwisseling, maar anderen wel, waaronder iemand die gebruik maakt van dezelfde slaapkamer als ik. En reken maar dat het direct in mijn belang is dat die persoon het niet al te koud heeft 's nachts). Dat wil ik niet; ik wil het warm hebben. Dus de verwarming moet aan.
Ho, stop! Als ik de verwarming aandoe heeft mijn hele slaapkamer het warm, en dat was niet wat ik wilde.
Ik ben kleiner dan mijn slaapkamer (anders zou ik er niet inpassen), dus het is goedkoper om mij te verwarmen dan mijn slaapkamer.
Kortom: in mijn bed, dáár moet het warm zijn.
En aangezien mijn bed al geïsoleerd is, want dekens zijn niks anders dan isolatiemateriaal, is het heel efficiënt om mijn bed te verwarmen en mijn slaapkamer ongemoeid te laten. Zelfs en open raam bij lichte vorst heeft geen invloed op het verbruik van je elektrieke dekentje, want dat heeft geen thermostaat en levert een constante temperatuur af. En het verbruikt ongeveer 50 watt; ongeveer hetzelfde als de gloeilamp die je ouders voor je lieten branden op de gang, omdat het anders eng was.
Laten we zeggen dat je zes uur slaapt, dan verbruikt je dekentje pak 'm beet 0.3 KwH. Da's een stuk minder dan je verwarming verbruikt.
Maar het kan, natuurlijk, nog beter. Zoals zo vaak is ook hier de meest ouderwetse oplossing weer de duurzaamste: koop een kruik. Zet de fluitketel op en 0,2 KwH later heb je een liter warm water die, mits verpakt in kruik, garant staat voor een hele nacht warmte.
Nu is slapen met een kruik iets voor baby's. Het is ouderwets, armoedig en potsierlijk. MAAR. Leg op een koude winternacht een kruik in je bed, aan de kant waar je geliefde slaapt, en hij/zij zal je automatisch zien als de liefste, meest zorgzame persoon ter wereld.
De warmte die dat genereert, daar kan geen isolatie tegenop.
Maar de woonkamer dan? Die moet je wel isoleren, want in de woonkamer lig je niet onder een stapel dekens. Of wel?
Hou je vast. Nu gaan we hardcore.
Neem een slaapzak. Doe warm water in kruik. Doe kruik in slaapzak. Doe onderlijf ook in slaapzak. Lees boek. Dan hoef je alleen nog maar uit je slaapzak te komen om de verwarming uit te zetten, vanwege dat je het zo heet hebt.
Hoho, zegt u nu. Dát gaat mij een beetje te ver. Ik wil potverdrie wel rond kunnen lopen in mijn eigen woonkamer.
Welnu, lezer, ik ook. Daarom laat ik mijn huis ook isoleren, en stook ik af en toe de kachel flink op.
Maar naarmate de crisis verder voortschrijdt, zullen er meer en meer mensen komen bij wie gas en/of elektra worden afgesloten. U en mij gaat dat natuurlijk niet overkomen, lezer - ben je gek, dat overkomt alleen anderen. Maar mocht het ooit een van uw kennissen overkomen, dan weet u nu welke tip u hen kunt geven. Mochten uw kennissen zó krap komen te zitten, dat ze zelfs geen slaapzak meer kunnen betalen, dan mompelt u iets over een oud gordijn, een handjevol hooi, en de woorden 'zelfgemaakte voetenzak'. Een dikke trui doet dan de rest. Want een dikke trui is nog altijd de meest efficiënte isolatie.
zondag 9 december 2012
De ijskoude feiten
Uitgerekend nu de winter hier serieus werk begint te leveren, komt de bodem van mijn houtvoorraad in zicht. Ik had 2,5 kuub bemachtigd; dat zou genoeg moeten zijn om de lente te halen, hoopte ik. Maar nee. Ik ben blij als ik nog een paar houtjes heb op 31 december, zodat ik er in elk geval in 2012 warmpjes bij zal hebben gezeten.
Op 1 januari ga ik niet plotseling dood van de kou, natuurlijk, want dan zet ik gewoon de verwarming aan. Dat doe ik nu ook al, op dagen dat mijn gezin wel thuis is, maar ik niet; ik ben de stoker bij ons thuis, en als ik de kachel niet aanmaak, dan komt er geen vuur in. Niet dat ik de enige ben die met zijn vingers aan de kachel mag zitten, maar, zoals eerder gezegd: hout stoken is een vaardigheid die je moet leren, en ik heb tot nu toe niet de tijd genomen die vaardigheid door te geven aan mijn gezin.
Fijn dus, dat er verwarming is. Als mijn hout op is, kan ik gewoon beginnen gas te verstoken.
Maar dat wil ik liever niet, want A) gas is een eindige, fossiele brandstof die je spaarzaam zou moeten gebruiken, en voor nuttiger dingen dan de mogelijkheid om in een T-shirt door je huis te dansen terwijl het buiten vriest. En B) het klimaat verandert al genoeg. Trouwens, C: gas kost geld. Ik heb e.e.a. niet precies uitgerekend, maar ik ga ervan uit dat Vimes' Boots Principle ook hier weer opgeld doet, en dat de goedkoopste optie die is, die alleen gebruikt kan worden door het welgesteldere deel van onze bevolking: het deel dat een huis heeft waarin men een houtkachel of open haard kan installeren. En een tuin om 5 kuub hout in op te slaan (dat kan natuurlijk ook in een kelderbox, maar dan moet je wel héél zeker weten dat je houtvoorraad geheel vrij is van boktorren en dergelijk ongedierte). Je kunt wel elke keer dat je wilt stoken een zakje haardhout halen bij de Gamma, maar dat hout is niet alleen schreeuwend duur, het is bovendien in een oven gedroogd, waarmee meteen een eind wordt gemaakt aan iedere mogelijke vorm van energie-efficiëntie.
Trouwens, als je zakjes hout van 10 kilo moet halen bij bouwmarkt of benzinepomp, dan fiets je je het leplazerus, want de hoeveelheden die je moet verstoken om één kamer te verwarmen, die zijn niet mals.
Dat is een groot voordeel van die open haard: dat je aan je spierballen voelt hoeveel energie je verbruikt. Je weet wel dat we teveel verstoken met z'n allen, en dat dat waarschijnlijk ook geldt voor jou persoonlijk, maar pas als je zelf iedere kilojoule hebt versjouwd word je echt met je neus op de ijskoude feiten gedrukt.
Draai ik er in een seizoen zóveel geboomte doorheen? En als ik alles op gas zou stoken, zou ik dan niet een vergelijkbare hoeveelheid prehistorische groeisels verbruiken?
Daar word je wel even stil van.
En die stilte kan ik mooi gebruiken om een bekentenis te doen: Mijn muren zijn niet geïsoleerd. Mijn ramen wel, en mijn vloer, en mijn dak, maar toen het erop aankwam de muren te doen, keek in nog eens in mijn portemonnee en ik dacht: mwoah, nu maar even niet, dat gaat me minstens 2000 euro kosten, ik doe dat volgend jaar wel, of het jaar daarna, als ik het geld heb.
Maar als je voor de zevende keer op één zondag een emmer hout uit de opslag aan het halen bent, dan drijven je gedachten onwillekeurig in de richting: ach, tweeduizend euro, hoeveel is dat nou? Afgezet tegen, bijvoorbeeld, drie keer minder (per dag) de vrieskou in lopen om hout te halen?
Gelooft u mij: de investering lijkt opeens een stuk minder onoverkomelijk.
Om nog maar te zwijgen van enkele andere simpele trucs om warm te blijven zonder te stoken, waarover ik volgende week te spreken zal komen.
Op 1 januari ga ik niet plotseling dood van de kou, natuurlijk, want dan zet ik gewoon de verwarming aan. Dat doe ik nu ook al, op dagen dat mijn gezin wel thuis is, maar ik niet; ik ben de stoker bij ons thuis, en als ik de kachel niet aanmaak, dan komt er geen vuur in. Niet dat ik de enige ben die met zijn vingers aan de kachel mag zitten, maar, zoals eerder gezegd: hout stoken is een vaardigheid die je moet leren, en ik heb tot nu toe niet de tijd genomen die vaardigheid door te geven aan mijn gezin.
Fijn dus, dat er verwarming is. Als mijn hout op is, kan ik gewoon beginnen gas te verstoken.
Maar dat wil ik liever niet, want A) gas is een eindige, fossiele brandstof die je spaarzaam zou moeten gebruiken, en voor nuttiger dingen dan de mogelijkheid om in een T-shirt door je huis te dansen terwijl het buiten vriest. En B) het klimaat verandert al genoeg. Trouwens, C: gas kost geld. Ik heb e.e.a. niet precies uitgerekend, maar ik ga ervan uit dat Vimes' Boots Principle ook hier weer opgeld doet, en dat de goedkoopste optie die is, die alleen gebruikt kan worden door het welgesteldere deel van onze bevolking: het deel dat een huis heeft waarin men een houtkachel of open haard kan installeren. En een tuin om 5 kuub hout in op te slaan (dat kan natuurlijk ook in een kelderbox, maar dan moet je wel héél zeker weten dat je houtvoorraad geheel vrij is van boktorren en dergelijk ongedierte). Je kunt wel elke keer dat je wilt stoken een zakje haardhout halen bij de Gamma, maar dat hout is niet alleen schreeuwend duur, het is bovendien in een oven gedroogd, waarmee meteen een eind wordt gemaakt aan iedere mogelijke vorm van energie-efficiëntie.
Trouwens, als je zakjes hout van 10 kilo moet halen bij bouwmarkt of benzinepomp, dan fiets je je het leplazerus, want de hoeveelheden die je moet verstoken om één kamer te verwarmen, die zijn niet mals.
Dat is een groot voordeel van die open haard: dat je aan je spierballen voelt hoeveel energie je verbruikt. Je weet wel dat we teveel verstoken met z'n allen, en dat dat waarschijnlijk ook geldt voor jou persoonlijk, maar pas als je zelf iedere kilojoule hebt versjouwd word je echt met je neus op de ijskoude feiten gedrukt.
Draai ik er in een seizoen zóveel geboomte doorheen? En als ik alles op gas zou stoken, zou ik dan niet een vergelijkbare hoeveelheid prehistorische groeisels verbruiken?
Daar word je wel even stil van.
En die stilte kan ik mooi gebruiken om een bekentenis te doen: Mijn muren zijn niet geïsoleerd. Mijn ramen wel, en mijn vloer, en mijn dak, maar toen het erop aankwam de muren te doen, keek in nog eens in mijn portemonnee en ik dacht: mwoah, nu maar even niet, dat gaat me minstens 2000 euro kosten, ik doe dat volgend jaar wel, of het jaar daarna, als ik het geld heb.
Maar als je voor de zevende keer op één zondag een emmer hout uit de opslag aan het halen bent, dan drijven je gedachten onwillekeurig in de richting: ach, tweeduizend euro, hoeveel is dat nou? Afgezet tegen, bijvoorbeeld, drie keer minder (per dag) de vrieskou in lopen om hout te halen?
Gelooft u mij: de investering lijkt opeens een stuk minder onoverkomelijk.
Om nog maar te zwijgen van enkele andere simpele trucs om warm te blijven zonder te stoken, waarover ik volgende week te spreken zal komen.
zondag 25 november 2012
Kiwi-RSI
Wij mensapen delen een genetische afwijking met fruitvleermuizen en cavia's: we kunnen in onze lichamen geen ascorbinezuur aanmaken. En zonder A-Scorbinezuur krijgen we last van Scorbus, oftewel scheurbuik, want ascorbinezuur is hetzelfde goedje als vitamine C. Jazeker, lezer: alle andere dieren en planten kunnen vitamine C maken. Alleen wij, de cavia's en de fruitvleermuisjes niet. Hartelijk dank, moeder Natuur, dat heeft u weer fijn geregeld!
Gelukkig eet ik graag fruit, dus dat probleem kan opgelost worden.
Al jaren lang staat er dan ook een kiwi-plant te groeien tegen een zuidelijke muur van mijn huis. Een klimplant met mooie, grote bladeren die 's zomers de zon uit de kamer houden en 's winters op een hoopje lekkere mulch liggen te maken. Maar het gaat niet om de bladeren, natuurlijk (hoewel die al twee zeer nuttige dingen doen). Het gaat om de kiwi's.
Welnu: de kiwi-oogst was groot, dit jaar. Kilootje of dertien, van 1 plant.
Dat klinkt goed, maar het levert nogal wat problemen op.
Om te beginnen: de kiwi-plant komt oorspronkelijk uit China, en doe het ook in Nieuw-Zeeland erg goed. Die landen hebben een ander klimaat dan wij. Dus, jammer jammer, in Nederland worden kiwi's niet rijp. Kiwi's moet je oogsten vóór de eerste vorst, en we hadden een vrij vroege nachtvorst dit jaar, dus begin oktober zat ik opeens met dertien kilo onrijpe kiwi's opgescheept.
Nu schijnt het dat je ze in een koele ruimte kunt laten narijpen. Dat komt dan mooi uit, want ik heb een koele ruimte: mijn kelder.
Maar hoe sla je kiwi's op?
Ik dacht: laat ik ze maar eens op stro leggen. Dat was waarschijnlijk een goede gedachte. Aangezien echter een groot deel van de beschikbare vloer- en plankruimte in mijn kelder zou worden ingenomen door dertien netjes op stro uitgespreide kilo's kiwi's kwam ik op het onzalige idee ze te stapelen. In, ik zal het maar eerlijk zeggen, manden en dozen.
Daar liet ik ze anderhalf maandje liggen. Om na te rijpen. Nu weet ik nog van vorig jaar dat kiwi's heel lang in onrijpe toestand blijven, om daarna ineens helemaal zacht en bah-vies te worden. Overrijpe kiwi's daar kun je helemaal niets meer mee.
Onrijpe kiwi's zijn ook geen pretje - keihard en veel te zuur - maar daar is nog iets aan te doen. En dat deed ik dan ook: ik maakte er kiwi-jam van.
Niet van alle dertien kilo, natuurlijk, want nu openbaarde zich de enormiteit van mijn opslagfout. Daar in die dozen was de boel gaan schimmelen. Alleen de bovenste laagjes waren nog bruikbaar. Het merendeel van mijn oogst kon dus linea recta de composthoop op.
Geeft niks, sprak ik met tranen in mijn ogen. Compost is ook fijn.
Al doende leert men. Ik heb al jaren de eigenaardige gewoonte eierdozen niet zomaar weg te gooien. Daar heeft vast nog eens iemand iets aan, denk ik steeds, maar niemand wil ze hebben. Behalve dan ikzelf, volgend jaar. Volgend jaar gaan mijn kiwi's in eierdozen. Kijken of ze het dan nog voor elkaar krijgen te gaan schimmelen!
Ik had dus nog ruim vier kilo kiwi's om jam van te maken.
Genoeg voor 6 kilo jam, want er moet suiker bij anders blijft het te zuur; bovendien werk suiker conserverend (het spul zet een proces van osmose in gang, waardoor bacterieën en schimmels domweg uitdrogen. Dan moet je eigenlijk meer suiker gebruiken, de verhouding moet 1:1 zijn, dus ik heb mijn jam nog even gesteriliseerd: 10 minuten in de oven op 150 graden).
Inmiddels weet ik, beste lezer, dat het echt een rotkarweitje is, Kiwi-jam maken. Eerst moet je namelijk 4 kilo kiwi's schillen. Een kiwi zonder schil is een beetje glibberig, die moet je stevig vasthouden, wat de kans op in-je-vinger-snijden aanmerkelijk vergroot. Daardoor ga je krampachtig schillen; ik kreeg er pijn in mijn pols van. Kiwi-RSI - hoe sneu is dat?
En dan zwijg ik nog van die rottige haartjes die overal aan blijven kleven.
Na het schillen moeten de kiwi's even koken. Liefst zo kort mogelijk. Anders kook je, zo schijnt het, alle vitaminen eruit. En daar was het juist allemaal om begonnen.
Maar als je ze maar kort kookt, dan koken ze niet stuk.
De oplossing, dacht ik bij de eerste pan: gewoon even de vruchten in kleine stukjes snijden.
Dat sta je dus een uur te hannesen. Had ik al vermeld dat kiwi's vrij zuur zijn, en dat je dat gaat voelen, als je er een uurtje met je handen in staat? Nee, he?
Nou, dat is dus zo.
Dus bij de tweede pan dacht ik: ik haal ze gewoon door de rasp. Ik heb een hele prettige rasp, met een soort draaimechaniekje eraan. Ziet eruit als een soort ruimteschip van Star Wars (als die grote zwengels op hun dak hadden gehad). Het ding stamt, net als Star Wars overigens, nog uit de jaren '80. Maar ik bewaak hem als een draak zijn schat, want hij raspt alles.
Behalve kiwi's.
Die krengen slagen erin om zich, in een rasp, opeens van hun meest vezelige kant te laten zien. Zacht en toch draderig.
Dus uiteindelijk de staafmixer erop gezet - zeer tegen mijn zin (want gemakzuchtig en kost elektriciteit - moreel gesproken een dodelijke combinatie).
De gestaafmixerde jam kostte minder tijd. Maar was ook minder lekker.
En bovendien schijnen het in jam nu juist de min of meer heel gebleven stukjes te zijn, die niet alleen de smaak, maar ook het vitamine-C gehalte het best intact laten.
Volgend jaar dus: de kiwi's in eierdozen, en jam met stukjes erin.
En ook: de kiwi's dunnen als ze nog aan de plant hangen. Dan blijven ze groter, schijnt het, en dat scheelt met schillen.
Want ook al is het nog zo'n rotkarwei, die kiwi-jam hou ik d'r in.
Lekker spul!
Gelukkig eet ik graag fruit, dus dat probleem kan opgelost worden.
Al jaren lang staat er dan ook een kiwi-plant te groeien tegen een zuidelijke muur van mijn huis. Een klimplant met mooie, grote bladeren die 's zomers de zon uit de kamer houden en 's winters op een hoopje lekkere mulch liggen te maken. Maar het gaat niet om de bladeren, natuurlijk (hoewel die al twee zeer nuttige dingen doen). Het gaat om de kiwi's.
Welnu: de kiwi-oogst was groot, dit jaar. Kilootje of dertien, van 1 plant.
Dat klinkt goed, maar het levert nogal wat problemen op.
Om te beginnen: de kiwi-plant komt oorspronkelijk uit China, en doe het ook in Nieuw-Zeeland erg goed. Die landen hebben een ander klimaat dan wij. Dus, jammer jammer, in Nederland worden kiwi's niet rijp. Kiwi's moet je oogsten vóór de eerste vorst, en we hadden een vrij vroege nachtvorst dit jaar, dus begin oktober zat ik opeens met dertien kilo onrijpe kiwi's opgescheept.
Nu schijnt het dat je ze in een koele ruimte kunt laten narijpen. Dat komt dan mooi uit, want ik heb een koele ruimte: mijn kelder.
Maar hoe sla je kiwi's op?
Ik dacht: laat ik ze maar eens op stro leggen. Dat was waarschijnlijk een goede gedachte. Aangezien echter een groot deel van de beschikbare vloer- en plankruimte in mijn kelder zou worden ingenomen door dertien netjes op stro uitgespreide kilo's kiwi's kwam ik op het onzalige idee ze te stapelen. In, ik zal het maar eerlijk zeggen, manden en dozen.
Daar liet ik ze anderhalf maandje liggen. Om na te rijpen. Nu weet ik nog van vorig jaar dat kiwi's heel lang in onrijpe toestand blijven, om daarna ineens helemaal zacht en bah-vies te worden. Overrijpe kiwi's daar kun je helemaal niets meer mee.
Onrijpe kiwi's zijn ook geen pretje - keihard en veel te zuur - maar daar is nog iets aan te doen. En dat deed ik dan ook: ik maakte er kiwi-jam van.
Niet van alle dertien kilo, natuurlijk, want nu openbaarde zich de enormiteit van mijn opslagfout. Daar in die dozen was de boel gaan schimmelen. Alleen de bovenste laagjes waren nog bruikbaar. Het merendeel van mijn oogst kon dus linea recta de composthoop op.
Geeft niks, sprak ik met tranen in mijn ogen. Compost is ook fijn.
Al doende leert men. Ik heb al jaren de eigenaardige gewoonte eierdozen niet zomaar weg te gooien. Daar heeft vast nog eens iemand iets aan, denk ik steeds, maar niemand wil ze hebben. Behalve dan ikzelf, volgend jaar. Volgend jaar gaan mijn kiwi's in eierdozen. Kijken of ze het dan nog voor elkaar krijgen te gaan schimmelen!
Ik had dus nog ruim vier kilo kiwi's om jam van te maken.
Genoeg voor 6 kilo jam, want er moet suiker bij anders blijft het te zuur; bovendien werk suiker conserverend (het spul zet een proces van osmose in gang, waardoor bacterieën en schimmels domweg uitdrogen. Dan moet je eigenlijk meer suiker gebruiken, de verhouding moet 1:1 zijn, dus ik heb mijn jam nog even gesteriliseerd: 10 minuten in de oven op 150 graden).
Inmiddels weet ik, beste lezer, dat het echt een rotkarweitje is, Kiwi-jam maken. Eerst moet je namelijk 4 kilo kiwi's schillen. Een kiwi zonder schil is een beetje glibberig, die moet je stevig vasthouden, wat de kans op in-je-vinger-snijden aanmerkelijk vergroot. Daardoor ga je krampachtig schillen; ik kreeg er pijn in mijn pols van. Kiwi-RSI - hoe sneu is dat?
En dan zwijg ik nog van die rottige haartjes die overal aan blijven kleven.
Na het schillen moeten de kiwi's even koken. Liefst zo kort mogelijk. Anders kook je, zo schijnt het, alle vitaminen eruit. En daar was het juist allemaal om begonnen.
Maar als je ze maar kort kookt, dan koken ze niet stuk.
De oplossing, dacht ik bij de eerste pan: gewoon even de vruchten in kleine stukjes snijden.
Dat sta je dus een uur te hannesen. Had ik al vermeld dat kiwi's vrij zuur zijn, en dat je dat gaat voelen, als je er een uurtje met je handen in staat? Nee, he?
Nou, dat is dus zo.
Dus bij de tweede pan dacht ik: ik haal ze gewoon door de rasp. Ik heb een hele prettige rasp, met een soort draaimechaniekje eraan. Ziet eruit als een soort ruimteschip van Star Wars (als die grote zwengels op hun dak hadden gehad). Het ding stamt, net als Star Wars overigens, nog uit de jaren '80. Maar ik bewaak hem als een draak zijn schat, want hij raspt alles.
Behalve kiwi's.
Die krengen slagen erin om zich, in een rasp, opeens van hun meest vezelige kant te laten zien. Zacht en toch draderig.
Dus uiteindelijk de staafmixer erop gezet - zeer tegen mijn zin (want gemakzuchtig en kost elektriciteit - moreel gesproken een dodelijke combinatie).
De gestaafmixerde jam kostte minder tijd. Maar was ook minder lekker.
En bovendien schijnen het in jam nu juist de min of meer heel gebleven stukjes te zijn, die niet alleen de smaak, maar ook het vitamine-C gehalte het best intact laten.
Volgend jaar dus: de kiwi's in eierdozen, en jam met stukjes erin.
En ook: de kiwi's dunnen als ze nog aan de plant hangen. Dan blijven ze groter, schijnt het, en dat scheelt met schillen.
Want ook al is het nog zo'n rotkarwei, die kiwi-jam hou ik d'r in.
Lekker spul!
zondag 18 november 2012
Verhalen van de Val 2: koudwatervrees
In mijn vorige post vertelde ik iets over het idee achter het onlangs uitgekomen boek After Oil.
Vandaag kom ik toe aan het meest interessante deel van het verhaal: de problemen met de publicatie van het boek.
John Michael Greer, de bedenker en redacteur van het boek, heeft al een hele reeks andere boeken op zijn naam staan, voornamelijk non-fictie. Het meeste daarvan is verschenen bij zijn vaste uitgever, en die was van zins ook deze verzameling korte verhalen uit te geven. Het is een uitgever die veel werk in het New Age-segment publiceert, en een hij dacht dat de bundel goed in zijn fonds zou passen. Een bundel verhalen over een toekomst, waar de technologie het moest laten afweten wegens gebrek aan goedkope energie? Dat paste precies bij zijn lezerspubliek!
Hoopte hij.
In New Age kringen is het niet ongebruikelijk om te denken Techniek=slecht, Natuur=goed, plus: de mogelijkheden van de menselijke geest zijn eindeloos en als straks de Grote Ommekeer komt (en die komt onvermijdelijk, zo onvermijdelijk zelfs dat we geen vinger hoeven uit te steken om de zaak op gang te helpen) en iedereen lekker met ons mee new-aget, nou, dan zul je eens wat beleven!
Ha, dacht de uitgever, die verhalen zitten wel snor: minder techniek betekent meer natuur en natuur is goed, dus dan is de Grote Ommekeer een feit. En verhalen over hoe mooi het leven zal zijn na de Grote Ommekeer, daar lust mijn publiek wel pap van!
Helaas.
Alle schrijvers uit de bundel gingen ervan uit dat de menselijke aard niet plotseling zal veranderen als hij armer, zieker en hongeriger wordt. En dat de westerse mens zonder toegang tot schier onbeperkte energiebronnen een stuk armer, zieker en hongeriger zal worden, dat ligt voor de hand.
Die opvatting levert een reeks verhalen op waarin de wereld veranderd is, maar de menselijke aard niet; verhalen waarin mensen liefhebben en ruziën, hopen en vrezen, net als ze nu doen. Het enige verschil is dat ze leven in een wereld in verval, wat in de meeste verhalen een extra stress-factor oplevert.
In een boze, teleurgestelde e-mail liet de uitgever weten dat het feest niet doorging. Hij had gehoopt op verhalen waarin mensen 'psychische antennes' zouden ontwikkelen, of 'een nieuwe verwantschap scheppen met planten en dieren en watermoleculen', of 'op zijn minst steencirkels oprichten en langs leylijnen reizen'.
Sommige verhalen in After Oil zijn hoopvol, andere somber. Sommige zijn literair, andere zijn meer van het who-done-it -achtige soort. Er zitten goede en minder goede tussen - dat heb je met bundels.
Maar dat kon de uitgever niet schelen. Hij zei niet: ik vind de verhalen niet goed. Hij zei trouwens ook niet dat hij ze wél goed vond. Het hele idee van kwaliteit interesseerde hem niet. Hij wilde blije verhalen over de heerlijke wereld die ons zal geworden als de olie op is, en het klimaat veranderd.
Het is om droevig van te worden. Heb je eens iemand die inziet dat de boel aan het opraken is, blijkt het een malloot die hoopt dat we van auto's en agro-industrie zullen overstappen op, en ik citeer, 'Deva's en Salamanders'. En dat we je en jij zeggen tegen watermoleculen.
Vrijwel geen enkele andere uitgever wilde zijn vingers branden aan een boek dat ingaat tegen het gangbare vooruitgangsdenken. Uiteindelijk werd het een minuscuul uitgeverijtje. Méér bleek niet mogelijk in het land van de onbegrensde mogelijkheden.
Bij wijze van contrast wil ik even wijzen op dit boek. Het boek speelt in een wereld die doet denken aan die ui After Oil - sterker nog: in mijn verhaal in After Oil wordt de voorgeschiedenis verteld van een personage uit De Glanzende Stad - maar mijn vaste uitgever gebruikt zijn fonds niet om een ideologie te pushen. Die kijkt alleen of hij een boek goed vindt. En als een boek mooi is, maar het erin verwoorde wereldbeeld is aan de sombere kant voor een kinderboek, dan is dat geen reden om het boek te laten verkommeren. Dan wordt er een list verzonnen. In dit geval werd de beste illustratrice van Nederland gevraagd om er kleurenillustraties bij te maken. Kijk, zo kan het ook.
Iedereen die serieus over duurzaamheid denkt, weet dat onze hele cultuur moet veranderen.
De stapjes zijn klein.
Vandaag kom ik toe aan het meest interessante deel van het verhaal: de problemen met de publicatie van het boek.
John Michael Greer, de bedenker en redacteur van het boek, heeft al een hele reeks andere boeken op zijn naam staan, voornamelijk non-fictie. Het meeste daarvan is verschenen bij zijn vaste uitgever, en die was van zins ook deze verzameling korte verhalen uit te geven. Het is een uitgever die veel werk in het New Age-segment publiceert, en een hij dacht dat de bundel goed in zijn fonds zou passen. Een bundel verhalen over een toekomst, waar de technologie het moest laten afweten wegens gebrek aan goedkope energie? Dat paste precies bij zijn lezerspubliek!
Hoopte hij.
In New Age kringen is het niet ongebruikelijk om te denken Techniek=slecht, Natuur=goed, plus: de mogelijkheden van de menselijke geest zijn eindeloos en als straks de Grote Ommekeer komt (en die komt onvermijdelijk, zo onvermijdelijk zelfs dat we geen vinger hoeven uit te steken om de zaak op gang te helpen) en iedereen lekker met ons mee new-aget, nou, dan zul je eens wat beleven!
Ha, dacht de uitgever, die verhalen zitten wel snor: minder techniek betekent meer natuur en natuur is goed, dus dan is de Grote Ommekeer een feit. En verhalen over hoe mooi het leven zal zijn na de Grote Ommekeer, daar lust mijn publiek wel pap van!
Helaas.
Alle schrijvers uit de bundel gingen ervan uit dat de menselijke aard niet plotseling zal veranderen als hij armer, zieker en hongeriger wordt. En dat de westerse mens zonder toegang tot schier onbeperkte energiebronnen een stuk armer, zieker en hongeriger zal worden, dat ligt voor de hand.
Die opvatting levert een reeks verhalen op waarin de wereld veranderd is, maar de menselijke aard niet; verhalen waarin mensen liefhebben en ruziën, hopen en vrezen, net als ze nu doen. Het enige verschil is dat ze leven in een wereld in verval, wat in de meeste verhalen een extra stress-factor oplevert.
In een boze, teleurgestelde e-mail liet de uitgever weten dat het feest niet doorging. Hij had gehoopt op verhalen waarin mensen 'psychische antennes' zouden ontwikkelen, of 'een nieuwe verwantschap scheppen met planten en dieren en watermoleculen', of 'op zijn minst steencirkels oprichten en langs leylijnen reizen'.
Sommige verhalen in After Oil zijn hoopvol, andere somber. Sommige zijn literair, andere zijn meer van het who-done-it -achtige soort. Er zitten goede en minder goede tussen - dat heb je met bundels.
Maar dat kon de uitgever niet schelen. Hij zei niet: ik vind de verhalen niet goed. Hij zei trouwens ook niet dat hij ze wél goed vond. Het hele idee van kwaliteit interesseerde hem niet. Hij wilde blije verhalen over de heerlijke wereld die ons zal geworden als de olie op is, en het klimaat veranderd.
Het is om droevig van te worden. Heb je eens iemand die inziet dat de boel aan het opraken is, blijkt het een malloot die hoopt dat we van auto's en agro-industrie zullen overstappen op, en ik citeer, 'Deva's en Salamanders'. En dat we je en jij zeggen tegen watermoleculen.
Vrijwel geen enkele andere uitgever wilde zijn vingers branden aan een boek dat ingaat tegen het gangbare vooruitgangsdenken. Uiteindelijk werd het een minuscuul uitgeverijtje. Méér bleek niet mogelijk in het land van de onbegrensde mogelijkheden.
Bij wijze van contrast wil ik even wijzen op dit boek. Het boek speelt in een wereld die doet denken aan die ui After Oil - sterker nog: in mijn verhaal in After Oil wordt de voorgeschiedenis verteld van een personage uit De Glanzende Stad - maar mijn vaste uitgever gebruikt zijn fonds niet om een ideologie te pushen. Die kijkt alleen of hij een boek goed vindt. En als een boek mooi is, maar het erin verwoorde wereldbeeld is aan de sombere kant voor een kinderboek, dan is dat geen reden om het boek te laten verkommeren. Dan wordt er een list verzonnen. In dit geval werd de beste illustratrice van Nederland gevraagd om er kleurenillustraties bij te maken. Kijk, zo kan het ook.
Iedereen die serieus over duurzaamheid denkt, weet dat onze hele cultuur moet veranderen.
De stapjes zijn klein.
dinsdag 6 november 2012
Verhalen van de Val
Eigenlijk was het mijn bedoeling verder te gaan met mijn verhalen over gezellige duurzaamheid, maar mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar (13 kilo, aan één plant, en er zat niet één rijpe tussen...) zal tot een volgende keer moeten wachten. Zeer passend, want de strijd is nog niet gestreden, maar dat is niet de reden voor dit uitstel.
Ik wil deze week iets vertellen over de moeilijkheden die je ondervindt als je wilt spreken over de gevolgen wan de vele crises waar we ons in bevinden.
Daar kun je vele, vele pagina's mee vullen maar dat ga ik vandaag niet doen want, ik zal het maar meteen eerlijk zeggen, ik heb een boek te pluggen. En de perikelen rond de publicatie van dat boek zijn zowel komisch als leerzaam.
Het gaat om After Oil, een collectie toekomstverhalen over de wereld na Peak Oil. De samensteller, John Michael Greer, schrijft een veelgelezen blog over Peak Oil en realiseerde zich: ik kan wel bezig blijven de feiten te vermelden, maar dat is niet voldoende. De mens heeft, om zich een beeld van de wereld te vormen, naast feiten ook verhalen nodig.
Nu zijn er verschillende verhalen gangbaar over de toekomst. De verhalen die in onze samenleving (nog) dominant zijn gaan doorgaans uit van een voortdurende vooruitgang. Of het nu over technologie, economie of moraal gaat, in de meeste verhalen speelt de gedachte dat we nu verder zijn dan we vroeger waren, en dat we in de toekomst nog verder zullen komen, een rol op de achtergrond. Of, als het verhalen over de toekomst zijn, op de voorgrond.
Een andere sterke grondslag is die van de apocalyps, de ineenstorting. Een gedacht die zijn populariteit voor een groot deel aan het christendom te danken heeft, maar die ook omarmd wordt door veel mensen die zich bezig houden met klimaatverandering, Peak Oil etc.
Deze beide ideeën kunnen ons niet behulpzaam zijn bij de uitdagingen waar we ons voor gesteld zien. Het eerste soort verhalen wekt de gedachte: vooruitgang is onvermijdelijk en 'ze' zullen wel een oplossing vinden voor dat klimaat-en-olie dingetje. Het eerste probleem is dat er, bij navraag, niemand lid lijkt te zijn van de club die bekend staat als 'ze'. Het tweede probleem is dat er geen oplossing is voor het klimaat-en-olie dingetje, althans geen oplossing die je kunt aanduiden met het woord 'vooruitgang'.
Het tweede soort verhalen werkt verlammend: er is geen oplossing, er staan ons verschrikkelijke rampen te wachten; vandaag of morgen kan het opeens allemaal over zijn en er is niets wat we daartegen kunnen doen.
Van dergelijke gedachten krijg je niet echt zin de handen uit de mouwen te steken. Bovendien is het onzin. Apocalypsen komen in de geschiedenis niet voor. Van de val van het Romeinse rijk (Historici zijn het er niet over eens wanneer die plaats vond: tussen de tweede en de vijfde eeuw? Van 234 tot 1452? Het enige wat ze allemaal zullen beamen is: het was bepaald niet in één klap voorbij) tot het uitsterven van de dinosauriërs (die helemaal niet uitgestorven zijn, maar in mijn achtertuin wonen onder schuilnamen als 'koolmees' en 'Vlaamse Gaai'): al die ineenstortingen hebben gemeen dat ze vele generaties duurden. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat ook onze samenleving gestaag achteruit zal gaan - eeuwenlang.
En daar hebben we bijna geen verhalen over. Wat jammer is, want de verhalen die ons aanspreken geven ons een idee over de wereld waarin we willen leven, of een manier waarop we ons leven willen vormgeven.
Daarom leek het meneer Greer verstandig om een verhalenbundel samen te stellen met verhalen uit een toekomst waarin alles gestaag achteruit gaat. Dat werd de bundel After Oil, waarin overigens mijn eerste Engelstalige verhaal is opgenomen (u dacht toch niet dat ik zoveel woorden zou wijden aan een boek waar ik niet in sta, of wel?).
Het was mijn bedoeling omstandig uit de doeken te doen wat de problemen waren bij het publiceren van dat boek, en waarom het uiteindelijk bij een minuscuul en zeer obscuur uitgeverijtje terecht is gekomen, en bij wijze van contrast nog even te wijzen op een ander, verwant boek dat geen perikelen ondervond maar, onder andere dankzij de geweldigheid van mijn Nederlandse uitgever, moeiteloos gepubliceerd werd, maar dit alles moet wachten tot volgende week.
En daarna, dat beloof ik, volgt het epos van mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar.
Ik wil deze week iets vertellen over de moeilijkheden die je ondervindt als je wilt spreken over de gevolgen wan de vele crises waar we ons in bevinden.
Daar kun je vele, vele pagina's mee vullen maar dat ga ik vandaag niet doen want, ik zal het maar meteen eerlijk zeggen, ik heb een boek te pluggen. En de perikelen rond de publicatie van dat boek zijn zowel komisch als leerzaam.
Het gaat om After Oil, een collectie toekomstverhalen over de wereld na Peak Oil. De samensteller, John Michael Greer, schrijft een veelgelezen blog over Peak Oil en realiseerde zich: ik kan wel bezig blijven de feiten te vermelden, maar dat is niet voldoende. De mens heeft, om zich een beeld van de wereld te vormen, naast feiten ook verhalen nodig.
Nu zijn er verschillende verhalen gangbaar over de toekomst. De verhalen die in onze samenleving (nog) dominant zijn gaan doorgaans uit van een voortdurende vooruitgang. Of het nu over technologie, economie of moraal gaat, in de meeste verhalen speelt de gedachte dat we nu verder zijn dan we vroeger waren, en dat we in de toekomst nog verder zullen komen, een rol op de achtergrond. Of, als het verhalen over de toekomst zijn, op de voorgrond.
Een andere sterke grondslag is die van de apocalyps, de ineenstorting. Een gedacht die zijn populariteit voor een groot deel aan het christendom te danken heeft, maar die ook omarmd wordt door veel mensen die zich bezig houden met klimaatverandering, Peak Oil etc.
Deze beide ideeën kunnen ons niet behulpzaam zijn bij de uitdagingen waar we ons voor gesteld zien. Het eerste soort verhalen wekt de gedachte: vooruitgang is onvermijdelijk en 'ze' zullen wel een oplossing vinden voor dat klimaat-en-olie dingetje. Het eerste probleem is dat er, bij navraag, niemand lid lijkt te zijn van de club die bekend staat als 'ze'. Het tweede probleem is dat er geen oplossing is voor het klimaat-en-olie dingetje, althans geen oplossing die je kunt aanduiden met het woord 'vooruitgang'.
Het tweede soort verhalen werkt verlammend: er is geen oplossing, er staan ons verschrikkelijke rampen te wachten; vandaag of morgen kan het opeens allemaal over zijn en er is niets wat we daartegen kunnen doen.
Van dergelijke gedachten krijg je niet echt zin de handen uit de mouwen te steken. Bovendien is het onzin. Apocalypsen komen in de geschiedenis niet voor. Van de val van het Romeinse rijk (Historici zijn het er niet over eens wanneer die plaats vond: tussen de tweede en de vijfde eeuw? Van 234 tot 1452? Het enige wat ze allemaal zullen beamen is: het was bepaald niet in één klap voorbij) tot het uitsterven van de dinosauriërs (die helemaal niet uitgestorven zijn, maar in mijn achtertuin wonen onder schuilnamen als 'koolmees' en 'Vlaamse Gaai'): al die ineenstortingen hebben gemeen dat ze vele generaties duurden. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat ook onze samenleving gestaag achteruit zal gaan - eeuwenlang.
En daar hebben we bijna geen verhalen over. Wat jammer is, want de verhalen die ons aanspreken geven ons een idee over de wereld waarin we willen leven, of een manier waarop we ons leven willen vormgeven.
Daarom leek het meneer Greer verstandig om een verhalenbundel samen te stellen met verhalen uit een toekomst waarin alles gestaag achteruit gaat. Dat werd de bundel After Oil, waarin overigens mijn eerste Engelstalige verhaal is opgenomen (u dacht toch niet dat ik zoveel woorden zou wijden aan een boek waar ik niet in sta, of wel?).
Het was mijn bedoeling omstandig uit de doeken te doen wat de problemen waren bij het publiceren van dat boek, en waarom het uiteindelijk bij een minuscuul en zeer obscuur uitgeverijtje terecht is gekomen, en bij wijze van contrast nog even te wijzen op een ander, verwant boek dat geen perikelen ondervond maar, onder andere dankzij de geweldigheid van mijn Nederlandse uitgever, moeiteloos gepubliceerd werd, maar dit alles moet wachten tot volgende week.
En daarna, dat beloof ik, volgt het epos van mijn worsteling met de kiwi-oogst van dit jaar.
Abonneren op:
Posts (Atom)